papieren helden

Twee mensen worden

proloog

Ik ben terug. Op een groot bord lees ik: dit is een bewoond dorp. Ik sta op de hoofdweg. Het is een lange strook in een desolaat landschap, een decor dat ik tot mijn dertiende volledig uit mijn hoofd kende. De zwaartekracht baant zich een weg omhoog, door mijn enkels, benen, knieën, mijn romp. Het lijkt alsof mijn kindervoetstappen terug op het asfalt verschijnen. Dat mijn herinneringen weerspiegeld worden in de plassen die op de weg staan.

In het asfalt zitten barsten als vertakkingen van grote bomen. De tijd heeft zich er zichtbaar gemaakt in het onkruid dat er onstuimig door groeit. Ik scan het uitzicht dat me zo lang vertrouwd was. Het eerste wat me opvalt is dat vele huizen verdwenen zijn tot op de laatste steen. Wat rest zijn bomen die zichzelf te pletter mogen groeien. Dakpannen liggen gebroken op de grond. Ik sta met het lichaam aan de grond genageld. Mijn dorp is een plaats van bomen en struiken geworden. Wat het tegenvoorbeeld is van de oorspronkelijke plannen die hier ooit meer dan twintig jaar geleden levens hebben ontworteld. Het is de natuur die zich hier als herboren aan me toont.

Slechts eenzame mensenlevens hebben zich hier overeind weten te houden in de jarenlange verdwijning. De bomen, vlinderstruiken, paardenbloemen hebben hen koppig vergezeld en bewijzen dat troost groen kan zijn. De kleur van chlorofyl, het pigment dat zonlicht omzet in energie.

Er vliegt een vogel voorbij, die al mijn aandacht vraagt. Hij heeft een lichtblauwe borst. De binnenkant van zijn vleugels is donkerblauw met een penseelstreek donkerbruin op de uiteindes. Ik hoor het Athena nog tegen me zeggen, toen ze aan de vuurkorf een mok kruidenthee dronk die ik voor haar maakte in de provisoire keuken. De vogel vliegt alsof de lucht en dit dorp van hem zijn. Ongeremd en weelderig, zoals kinderen in de speeltuin spelen op warme zomeravonden wanneer de barbecuekruiden in de lichte bries gekropen zijn. Is deze vogel ook terug? Is het eindelijk gebeurd?

Nieuwsgierig volg ik zijn vlucht tot hij de kruin van een grote boom opzoekt. Ik haal mijn telefoon uit mijn broekzak en probeer ingezoomd een foto te maken van dit opmerkelijke vogelexemplaar. Maar ingezoomde foto’s zijn vaak gedoemd te mislukken.

Ik sla mijn armen om me heen. Na meer dan twintig jaar ben ik terug op de plek waar mijn wortels lagen. Mijn blik springt van de ene kant van de straat naar de andere kant, alsof hij in een onzichtbaar touw springt.

Ik wil mijn eigen naam de leegte in roepen: Echo. Ik ben een weerkaatsing van geluid dat door de lucht reist, zelfs als die lucht eenzaam is. Een echo wordt pas een echo als het ongeveer zeventien meter heen en terug reist. Misschien kan ik zeggen dat ik daarom altijd minstens zeventien meter kan voortbestaan. Omgerekend is dat zo’n vijfduizend grassprieten lang. Dat ik meetbaar ben stelt me gerust.

Naast mij ligt het tankstation waar ik vroeger vaak groene Hollywood-kauwgom kocht met het geld dat ik terugvond in de jaszakken van moeder. Die groene plak rolde ik op en stak hem in mijn mond. Aan een van de pompen staat een lege winkelkar met daarin twee opengereten vuilniszakken. Het noestige werk van katten die hier aan hun lot overgelaten werden, vermoed ik. Het eerste straatkattenhuisje staat iets verderop aan een onbewoond huis naast de bushalte. Ik weet niet meer zeker wie er woonde, maar ik denk dat het mevrouw Pannebakker was. Van haar herinner ik me vooral haar rode hamsterwangen en dat ze Tic Tacs at tijdens de Franse les, omdat ze zenuwachtig werd wanneer niemand het antwoord op haar vragen wist.

Naast het verlaten tankstation staat ook een autowrak dat twee achterbanden mist. De ramen zijn ingeslagen. De scherven liggen in het rond. Ooit was het natuurlijk een auto waarvan iemand de autosleutels in zijn broekzak bewaarde. Ooit had het voertuig iemand ergens gebracht. Ooit had alles een bestemming, de auto en zijn chauffeur. Ooit was er een verlangen. Misschien kunnen we stellen dat een mogelijk begin van alles een verlangen was. Dat zelfs de oerknal een diep ja naar bestaan bevatte.

Het lijkt alsof een onzichtbare hand, net als bij een Playmobil-dorp dat ik vroeger op de basisschool bouwde, de dingen in dit dorp willekeurig verplaatst heeft. Er heerst entropie. Ik bedoel, dit is een mate van wanorde die me tegenstaat. Ik bedoel, hoe positioneer ik me tegenover het botsen van alle herinneringen in mijn binnenkant?

Ik begeef me op de breuklijnen. Dit hele verhaal wordt een grote evenwichtsoefening. Ik bereid me voor op het wankelen: de constante dreiging van de val alsof ik je dit verhaal zal vertellen vanaf een klif.

Voor de ramen en deuren van de eerste huizen, die aan het verdwijnen wisten te ontsnappen, zijn ijzeren platen geboord met enorme schroeven. Het beeld draait een rondje in mijn maag en laat er een spoor van misselijkheid achter. Het lijkt alsof diezelfde hand het uitzicht van verlatenheid niet verdragen kon en er alles aan gedaan heeft om het te dichten.

Graffiti bezet de gevels als schimmels. Op een van de huizen hangt een affiche aan het raam: dit huis is bewoond. Voor de deur staat een rode auto. Ik verwacht een hond voor het raam, of een gele parkiet in een kooi, of in elk geval een spoor van menselijkheid. Maar het ruikt er vooral naar een oude, bestofte bibliotheek waar niemand de boeken nog uitleent. Op de vensterbank staat een bloembak zonder bloemen erin.

Van het bushokje verderop zijn ook alle ramen verdwenen. Ik weet nog hoe ik vroeger op de bus wachtte die me naar de overkant bracht. Niet dat ik er vaak heen ging, maar ik herinner me dat het gewieg van de bus me slaperig maakte. Dat ik naast moeder indommelde en hoe ze me wakker maakte door aan mijn arm te trekken. Of soms sloeg ze me een paar keer op mijn kaak. Maar zachter dan dat ze dat thuis deed.

Op de hoek van de straat stop ik. In de verte liggen de witte koeltorens als kolossale zuilen. Roekeloos doorboren ze de rust die een horizon in het landschap brengt. Ik haak mijn blik in de helderblauwe lucht. Als ik mijn ogen zou sluiten, dan zou ik een schaduw kunnen ademen. Dan zou ik de keldergeur van het verleden in me kunnen oproepen.

Er vliegen een paar zeemeeuwen het water tegemoet. Verderop ligt niet de zee, maar het water van de Schelde. Nu de dijken verhoogd zijn, door een regering die eigenlijk niet volledig overtuigd is van de klimaatcrisis, omdat het de winst in de weg staat, kun je het water niet meer zien. Je moet eerst een betonnen trap op. Vanaf daar kun je de stad aan de overkant en de haven zien.

Ik wandel langs de dijken. Door een van de huizen groeit een vlinderstruik uit een gat boven een van de ramen. Met die monsterachtige ijzeren platen voor de ramen kan ik niet naar binnen kijken. Dit was ooit het huis van de familie Bosmans. Over de gevels groeit klimop waarvan sommige bladeren groter zijn dan mijn handpalm. Er vormt zich een wildernis. Ik kon niet weten dat ik terug zou komen en dat ik vooral ontzag zou voelen voor hoe de bomen zich door binnentuinen en kapotte veranda’s geperforeerd hebben. Ik kon me het aanzicht van verdwijning niet voorstellen tot nu. Het is het aanzicht van de natuur die vrij spel gekregen heeft. Ik glimlach. Het klopt.

Voor mij ligt de bruine kroeg De Zondebok, waar ik zo vaak op een lederen barkruk aan de toog zat. De barman, Johnny, gaf me cola, die ik dronk met een roze plastic rietje. Soms at ik een zakje zoute chips. En soms was dat het enige wat ik die dag at. Het was de plek in het dorp waar alcohol lichaam na lichaam veroverde en de poriën van de caféhangers besmette. Sommigen kregen er zulke slappe benen van dat ze niet meer naar huis konden wandelen en dus maar in de kroeg bleven slapen.

Als ik toen iemand gevraagd zou hebben waarom ze het ene glas wijn na het andere dronken, dan zouden de meesten geantwoord hebben: het is de eenzaamheid die me als een ziekte in haar duistere grip heeft. De ooghoeken van velen waren naar beneden getrokken, alsof verdriet een eigen zwaartekracht bezat. Ik geloof dat het dat ook doet om entropie in onszelf tegen te gaan.

Op dit punt, waarvan de coördinaten niet terug te vinden zijn op Google Maps, omdat dit dorp gewist moest worden, heeft het verleden mijn hart teruggevonden. Mijn handen leg ik op mijn middel, net onder mijn borstkas, om het barsten voor te zijn. Wat er ook gebeurt, de nooduitgang uit jezelf is altijd je eigen ademhaling.

Ik kan amper geloven dat ik na meer dan twintig jaar weer hier ben, omdat ik een brief ontving waarin stond dat het ouderlijk huis opnieuw mij toebehoorde. De brief moest ik drie keer herlezen voordat de zinnen een boodschap werden die ik kon begrijpen. Er stonden woorden als ‘teneinde’, ‘derhalve’ en ‘uwer’, alsof de overheid woorden uit een oude, stoffige kamer geplukt had en die in de brief een nieuw leven had gegeven. Er werd ook geen vraag gesteld, het was een simpele mededeling: ‘Uw huis wordt heden ten dage opnieuw ter uwer eigendom gerekend.’

Maar de overheid wist niet dat het huis achterlaten mijn grootste redding geweest was.

Hier sta ik te midden van de deining van het verleden, toen ik nog een meisje was en vijgen en aardbeien uit de tuin van mijn buren stal. Soms leende ik ook even hun kat, Sookie, zodat het een paar minuten mijn kat zou zijn. Omdat ik iets zachts nodig had om tegen mijn eigen huid te leggen.

De volgende stappen zijn angstaanjagend. Ze leiden me terug naar een begin dat ook mijn begin was. De wegmarkeringen op de straten zijn vervaagd. Slechts zuchten van wat ooit wit was zijn nog zichtbaar. Fietsers zijn hier niet meer in het straatbeeld te vinden. Er staan wel fietsen tegen voorgevels, die een voorband, een zadel of een stuur missen. Ze staan tegen dichtgetimmerde ramen en hebben verroeste kettingen. Hun eigenaars zijn verdwenen.

Mijn handen plaats ik tegen het voorraam van het huis van de familie Bosmans. De tuin is overwoekerd door hoge grassen en onkruid waarvan ik de exacte namen niet ken. Het groene tuinhek ligt op de stoep. Jaren geleden werd het dorp geteisterd door bendes met zware vuisten en gespierde armen door een teveel aan testosteron. Hun doel was vernieling. Alsof zij het gemunt hadden op het enige wat vele dorpsbewoners nog hadden: herinneringen. Ze hadden de jacht geopend op het onthouden, vuistslag na vuistslag.

Daarom had ik mezelf altijd voorgenomen nooit meer terug te komen. Tot de brief in mijn brievenbus stak. Het was een gewone vrijdagochtend. Ik was mijn rapport voor de European Environment Agency aan het nalezen over het European Human Biomonitoring Initiative. Tussen 2014 en 2021 werkte ik mee aan een grootschalig biomonitoringonderzoek dat in vijf verschillende Europese landen tegelijkertijd liep. Bij 84 procent van de deelnemers werden minstens twee pesticiden aangetroffen in het lichaam. De pesticideconcentraties bij kinderen waren hoger dan die bij volwassenen. Het waren alarmerende cijfers. Toen ik de brief opende, haalde ik de deadline voor het indienen van dat rapport niet. Ik kon alleen maar denken aan het huis in het dorp dat ik ooit ‘mijn dorp’ noemde.

Ik kijk om me heen. Het vertrouwde uitzicht heeft een verwoestende metamorfose ondergaan. Elk huis heeft een eigen verhaal van mensen die er gewoond hebben. Ze waren mijn buren, mijn vrienden, mijn leerkrachten, mijn dorpsgenoten. Ze hebben met mij het verleden gedragen.

Er is nog meer graffiti, deze keer op het gebroken wegdek. Ik wandel verder. Mijn adem schokt. Op een paar meter van mij ligt het huis waarin ik een kind geweest ben. Of in elk geval waarin ik groeipijnen had in benen, knieën, enkels en voeten. Mijn ademhaling schakelt een versnelling hoger. Misschien had Leo gelijk. Misschien had ik dit niet moeten doen. Ze wilde me deze ochtend nog tegenhouden met een extra kop koffie toen ik op vertrekken stond.

Slechts mijn huid houdt op dit moment mijn viscerale massa samen. Mijn vuisten zijn gebald. Ik plaats mijn ene voet voor de andere. Voor de voordeur houd ik halt. De deur zit niet in het slot. Mijn blik valt op de tegels in de gang, met dan de houten trap naar boven. De deur naar de keuken. De achterdeur naar de tuin, waar ik kuilen groef met mijn handen. Het grindpad waarvan ik blauwe plekken kreeg. De deur naar de kelder. De geur van een moeder misschien.

Ik sta alleen maar voor een open voordeur die ooit mijn voordeur was, voor een huis dat ooit mijn eigen huis was. Ik heb er gewoond als kind dat in veel te kleine pantoffels door de ruimtes slofte. Hier leerde ik de verlamming van angst kennen.

Hier had ik een naam en iemand die hem wilde roepen. Hier had ik een slaapkamer waarin ik ooit een konijn verstopte. Hier werd ik twee mensen. Moeder en ik, we waren aan elkaar overgeleverd als natuurelementen.

In mijn broekzak steekt de brief waarin staat dat het huis opnieuw van mij is. Ik weet niet eens of ik dat wel wil, maar ik wil mijn eigen naam begrijpen. Ik wil begrijpen hoe ik weerkaats tegen de muren van het verleden en ik mezelf terug kan horen. Wat heb ik eigenlijk te zeggen?

Elke cel in het lichaam is in essentie een genetische bibliotheek.

Ergens houdt het lichaam post-its bij: dit hebben we meegemaakt. Dit ook.

Hoe meer post-its, hoe dikker de dossiers, en als vanzelf worden we een archief.

Soms hebben we voetnoten nodig. Bijvoorbeeld: de duif had een goed leven. Of: toeval is een parapluterm voor onvoorspelbare gebeurtenissen.

Onleesbaar worden we echter nooit. Ook als er entropie is.

Ik stap de gang binnen. Links hangt de kapstok nog half aan de muur. Alles komt terug.


Dit is een hoofdstuk uit de roman Twee mensen worden van Lies Gallez die op 16 april 2026 bij Uitgeverij Querido verschijnt.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Lies Gallez
,