De stoep staat vol studenten. Ze roken en ze lachen. Ze hebben het over hun toekomst en dat soort dingen. Of misschien ook helemaal niet. Misschien kiezen ze een café uit om straks goed dronken te worden. Zij wel. Tussen de studenten en Tom in ligt een straat, een trambaan en twee deuren waarvan de een alleen open kan als de andere gesloten is.
Het is tien uur ’s morgens. Normaal zit hij nu op kantoor. Daar lijkt voorlopig geen sprake van. In theorie beslist de bedrijfsarts of je mag werken, de huisarts heeft slechts een adviserende rol. De huisarts adviseerde rust. De bedrijfsarts adviseerde rust. Twee mensen die het gloeiend met elkaar eens zijn hoeven niet lang te discussiëren. Voor het eerst in zijn carrière is Tom langer dan een week met verzuim. Nu nog te kort om te zien op je cv, maar het moet niet te lang duren. Voor je referenties kan dat echt killing worden. Wie wil nou zo’n slapjanus in dienst? Over een paar weken evalueren ze hoe het gaat.
En dus zit Tom nu op een harde rode bank bittere automaatkoffie te drinken. Het is nauwelijks herfst en de verwarming loeit al. Op de tafel voor hem ligt een formulier met veertig stellingen. In de wachtruimte zitten nog zeven andere mannen en vrouwen. Sommige kijken naar Tom en zijn papier, de meeste wippen wat met hun voeten, telefoon in hun hand. Tom gaat de gezichten tegenover hem af, zoekt naar sporen van geestelijke kwelling en ziet alleen ongeduld.
Eerste stelling: Ik zie ertegen op de deur uit te gaan. Helemaal eens, eens, et cetera. Hij moet het vakje aankruisen met het meest passende antwoord.
Ik ben bang voor iets waarvoor ik helemaal niet angstig zou hoeven zijn (bijvoorbeeld dieren, hoogten, kleine ruimten).
Als hij zijn jas uittrekt, merkt hij dat hij onder zijn oksels en op zijn buik is gaan zweten. Het voelt koud en warm tegelijk. Het gaasje over de wond op zijn navel kriebelt: de aankondiging van pijn. Straks komt het branden en daarna volgt het steken. Zo gaat het elke dag.
Toen de schaar zich in zijn navel boorde deed dat lang niet zoveel pijn als wanneer hij ’s nachts wakker wordt met een kloppende en trekkende huid rond een korst die nog het meeste wegheeft van nog niet geheel gestolde lava. Het belooft een lelijk litteken te worden. Een blijvend aandenken aan Sallie, aan hoe ze hem die dag achterliet met een steekwond in zijn buik.
Zijn gedachten gaan naar de keukenla met de lichtblauwe pillen die hij van de dokter moet nemen. Hij likt aan zijn lippen. De pillen lonken, maar het is beter van niet. De oxycodon maakt hem zo sloom dat hij liever door de pijn heen bijt.
Volgende stelling: Ik heb het gevoel dat er iets heel ergs gaat gebeuren.
Het is belangrijk dat hij de vragen intuïtief invult. U bent er ongeveer tien minuten mee bezig.
Dat kan hij sneller. Tom klokt zijn invullen op vier minuten en veertig seconden, leest nog een keer alle vragen door en staat op.
De spreekkamer van de psycholoog doet Tom denken aan het kantoor van de conrector op de middelbare school. Dezelfde linoleumvloer, dezelfde kapstokgeur die in zijn neus bleef hangen als hij in de grote pauze weer eens voor een preek naar het kamertje moest. De ramen zijn licht verduisterd. De psycholoog staat op van achter zijn bureau om hem te begroeten. Tom schat hem iets jonger dan hijzelf, misschien eind twintig. Op zijn neus rust een bril met een smal blauw montuur. Zijn haar wordt al dun aan de voorkant. Arme jongen, denkt Tom.
De huisarts had erop aangedrongen dat hij met iemand zou praten en nu moet hij hier aan ene Martin uitleggen hoe er een schaar in zijn buik terecht is gekomen. Normaal heeft de psycholoog een wachtlijst, maar ze hadden een gaatje voor hem, gezien zijn situatie. Toms linkervoet wipt rusteloos op en neer, een trekje dat hij net in de wachtruimte heeft opgepikt. Dat hoort er blijkbaar bij als je gek bent.
‘Dus, Thomas,’ zegt Martin uiteindelijk. ‘Als ik je goed begrijp: het is avond. Je hebt net gedoucht, trek in koffie, maar je hebt wat moeite met het openmaken van het pak. Je glijdt uit en voor je het weet lig je op de eerste hulp om een wond in je buik te laten hechten. Dat was vast even schrikken.’
Het is waar, bedenkt Tom zich: in de beste leugens zit een element van waarheid. Hij had inderdaad trek in koffie.
‘En nu zit je hier,’ zegt Martin. ‘Wat vind je daar zelf nou van?’
Er zit iets zelfgenoegzaams in die laatste vraag. Iets onoprechts. Martin is geen hulpverlener, hij speelt er een. En zo denken de dokter en Martin vast ook over Tom: Thomas Freel is geen normaal mens, hij speelt er een. Of in ieder geval deed hij dat lange tijd tot hij bij de eerste hulp werd binnengebracht, zo bleek als een vaatdoek. Gevallen, zegt u? Hoogste tijd voor zijn ontmaskering. Tsja, wat vindt hij daar zelf nou van, een naam te zijn in een dossier waarop staat dat hij een suïcidale gek is?
Het gevoel bekruipt Tom dat er een derde persoon in de kamer is, een regisseur met een donkergrijze fleecetrui die vlak achter Martin staat en hem aanwijzingen influistert. Tegelijkertijd moedigt hij Tom met subtiele handgebaren aan om Martin flink tegengas te geven. Hij gaat zich toch zeker niet door een of andere twintiger met een diploma laten vertellen hoe hij zich moet voelen?
‘De dokter stelde het voor,’ antwoordt Tom. ‘Ze zal zich wel zorgen maken.’
‘En jij? Maak jij je ook zorgen?’
‘Een twee,’ zegt Tom. ‘Op een schaal van een tot vijf.’
Martin veinst een glimlach en vraagt of Tom weet wat een twijfelwond is.
‘Mensen die zichzelf iets willen aandoen, testen eerst de oppervlakte,’ legt hij uit. ‘Ze proberen moed te verzamelen voor hun daad.’
Tom denkt aan hoe hij als kind aan de rand van het zwembad stond, zijn handen voor zijn borst gevouwen, kin omlaag. Hij wist niet wat hem het meest tegenstond: de val voorover, de ontmoeting met het koude water of het idee dat ze daar met z’n allen naast elkaar stonden en er een voor een slaafs in doken. De badmeester moest hem vaak een zetje geven.
‘Wilde je jezelf iets aandoen?’ vraagt Martin. Achter zijn smalle kijkglazen prijken kraalogen. ‘De wond in je navel, heb je dat zelf gedaan?’
Tom kijkt omlaag naar zijn overhemd, naar de plek die Martin bedoelt, alsof hij het nu voor het eerst ziet. Wie houdt hij voor de gek? Martin gelooft zijn verhaal niet. Natuurlijk niet. Mensen vallen niet in scharen. Toms blik dwaalt af naar buiten. Het plein waar de studenten stonden is leeg.
‘Niet alle wonden zijn zichtbaar,’ gaat Martin verder. ‘Als je begrijpt wat ik bedoel. Vertel eens, hoe is je situatie: heb je een vriendin, of misschien een vriend?’
Het kriebelen van Toms navel wordt al vergezeld door prikken. Lang kan het niet duren voor het branden begint.
‘Sallie,’ zegt Tom. ‘We zijn ongeveer een jaar samen. Althans –’ hij perst zijn kiezen op elkaar. Het kriebelen wordt geen branden, geen smeulend haardvuurtje in zijn navel, maar verandert in steken, alsof Sallie haar naam hoorde en nu hoogstpersoonlijk met haar middelvinger in de wond poert om haar werk voort te zetten. Zijn gymp wipt sneller op en neer.
‘Ik heb wat afstand genomen,’ zegt hij en hij begint nu ook werktuigelijk over zijn navel te wrijven om het branden op te wekken. Liever het vuur dan Sallies middelvinger. Het branden is tenminste constant.
‘Hm.’
‘Het is niet de eerste keer,’ gaat Tom verder. ‘Af en toe wordt het gewoon iets te druk.’ Bij dit laatste woord spitst de denkbeeldige regisseur zijn oren. Hij gunt Tom een aanmoedigend knikje. Ook Martin slaat aan. Het licht van de tl-lamp weerkaatst in zijn brilglazen.
‘Jullie zijn al eens eerder uit elkaar gegaan?’ vraagt hij.
Tom kruist zijn armen en gaat met zijn vingers over zijn handpalmen. Op het midden van zijn rechterhandpalm zit een hard stukje huid ter grootte van de punt van de kruiskopschroevendraaier uit Sallies gereedschapskist. Het ging per ongeluk, zei ze toen nog. Sorry. Die wond is netjes geheeld. Geen dokters, geen formulieren, geen betweterig mannetje dat domme vragen stelt. Ze wist niet wat ze deed, zei ze. Ze zou het nooit meer doen. Beloofd.
‘Omdat je het zo druk hebt?’ vraagt Martin. Plotseling staat de regisseur achter Tom. De septemberzon, zegt hij op dramatische toon. Tom moet van hem Sallie voor zich zien staan, die avond een paar weken geleden, voor zijn balkondeur. Haar ogen die zich niet samenknepen onder het felle zonlicht, maar openbleven en zich volzogen met teer, de keukenschaar in haar hand. Eerst kleurde zijn t-shirt rood, daarna volgde de pijn. En nu vullen de dagen zich met kriebelen, branden en steken. Hij zou zweren dat er een klein, minzaam lachje op haar gezicht verscheen toen ze de schaar losliet en hem ineen zag zakken.
‘Precies,’ zegt Tom. ‘Ik heb het heel druk.’
‘Waar komt die druk vandaan, je werk?’
De regisseur ademt in Toms nek. Hij zegt dat het niet Sallies schuld is dat ze de schaar in zijn navel stak. Dat het haar te veel werd, al die verwachtingen altijd. Tom is de enige die dat niet snapt. Hij is de enige die zich niet kan verplaatsen in haar positie. Zelfs Martin zou haar begrijpen. Kijk nou toch naar hem, die simpele ziel. Kijk nou toch eens door Sallies ogen.
Oké, denkt Tom. Dan kijk ik daar toch door?
‘Iedereen verwacht wat van me,’ zegt hij. ‘Mijn ouders. Sallie. Mijn werk.’
De regisseur neemt plaats op een stoel en leunt aandachtig naar voren.
‘Wat voor werk doe je?’ vraagt Martin.
Sallie kon soms dagen niets van zich laten horen. Tom stelde zich dan voor dat ze in dekens gehuld achter haar laptop zat en zich voedde met koude koffie en lijvige citaten van Franse denkers. Meer had ze niet nodig om door te werken.
Later vertelde ze dat ze op die dagen vooral in de foetushouding lag, ogen wijd open. Alleen in haar kamer duurt het nooit lang voordat ze in paniek raakt en de stroop komt, zei ze, en alles in haar en om haar heen aan elkaar begint te kleven. Niet alleen de eeuwige vraag van haar ouders of het boek al bijna af is, ook de twijfel of ze niet langer bij haar laatste baantje in het Stedelijk had moeten blijven zodat Tom niet altijd alles hoefde te betalen, en hun discussie over of je wel links mag stemmen als je voor een schijntje in het koophuis van je tante woont, en haar dilemma of ze wel blij mag zijn als het de hele week gaat regenen en iedereen dus net als zij binnen moet zitten, en of deze eeuwige regen niet gewoon door klimaatverandering komt en uiteindelijk ook de praktische vraag of ze haar tante niet eens moet informeren over de groeiende vochtplek onder het raamkozijn?
Alles voelt even groot en zwaar. Te groot. Te zwaar. Haar hartslag versnelt. Haar ademhaling wordt korter, haar vingertoppen wit. Dikke, zwarte stroop stuwt traag door haar lichaam, op weg naar haar holtes om uiteindelijk uit haar oren te spuwen en alle lelijkheid die in haar zit aan de wereld te tonen. Het kost haar de grootste moeite overeind te komen en zich naar de koele tegels van de badkamer te slepen.
Ze kon er niet meer tegen, zei ze. Ze wilde stilte. Gewoon even op adem komen. Weet je hoe dat voelt, Tom? Nee, natuurlijk weet jij niet hoe dat voelt. Onze sterke man. Groot en stoïcijns. Comfortabel op zijn hoge witte paard. Kom eens naar beneden.
Ze kon zo dramatisch zijn.
‘Onderzoek,’ zegt Tom. ‘Ik schrijf een boek over Corsica. Ik loop alleen steeds vast.’
‘Wat gaat er dan mis?’ vraagt Martin.
‘Daar gaat het niet om,’ zegt Tom. ‘Het gaat om Sallie. Ik vlucht dus steeds van haar weg. En dan kom ik weer terug. Vind je dat niet raar?’
Martin trekt zijn wenkbrauwen op. Hij lijkt de vraag in gedachten te wegen en glijdt met zijn blik af naar Toms ijverig op en neer wippende gymp. Inmiddels is Tom ervan overtuigd dat deze onvrijwillige beweging voor Martin een duidelijke aanwijzing is dat hij gek is. De man blijft er aandachtig naar kijken. Puur op basis van de frequentie van het wippen zou hij een diagnose kunnen stellen en inderdaad; hij schrijft nu iets in zijn boekje.
‘Niet per se,’ antwoordt hij. ‘Waarom zou dat raar zijn?’
Tom leunt voorover in een poging het handschrift te lezen. Het is te ver. Toch ziet hij dat er in ieder geval meer staat dan ‘gek’. Misschien ‘knettergek’. De regisseur buigt zich over het boekje en trekt een gepijnigd gezicht. Ja dus.
‘Ik snij iemand weg en ga er gewoon vandoor,’ zegt Tom. ‘Sallie blijft achter. Geen uitleg. Niets. Vind je dat niet oneerlijk van me? Ik zou zeggen dat het op z’n minst ondankbaar is. Ze doet zoveel voor me en neemt zelfs Thais eten mee als ik de hele dag alleen maar heb zitten typen. Ze vist nota bene de koriander er voor me uit.’
‘Tsja,’ antwoordt Martin. ‘Je hebt toch ruimte nodig?’
‘Maar om er dan meteen zo’n drama van te maken. Dat is toch niet normaal?’
‘Je bent niet de enige die soms kortsluiting maakt.’
‘Kortsluiting?’ herhaalt Tom en hij zoekt naar de regisseur. Die is verdwenen.
‘Gewoon, even de regie kwijt.’ Martin knikt in de richting van Toms navel. ‘Hoe vaak heb je dat soort momenten?’
Dat kleine lachje van Sallie toen ze de schaar losliet: zo keek ze niet als ze verkrampt op de bank lag. Zo keek ze als ze hem het bed in trok.
Hij denkt aan de donshaartjes in haar nek, de moedervlek net onder haar linkerborst, haar schokkerige ademhaling, hoe hij met zijn mond langzaam afdaalt, zijn hoofd tussen haar benen. Hoe ze aan zijn haar trekt als hij te snel gaat.
‘Af en toe,’ antwoordt hij en hij beseft dat die dingen niet per ongeluk gebeurden. De schroevendraaier, de schaar. Het was geen kortsluiting. Ze genoot ervan.
‘Het is belangrijk om die momenten te leren herkennen,’ zegt Martin. ‘Dan kun je er wat tegen doen.’ Hij slaat zijn boekje dicht en staat op. ‘Goed,’ zegt hij. ‘Fijn dat je gekomen bent. Ik denk dat we de gesprekken kunnen voortzetten. Cognitieve gedragstherapie kan veel voor je betekenen, mits je dat zelf ook een goed idee vindt, natuurlijk.’
Voortzetten, herhaalt Tom in gedachten. Therapie. Nooit, maar dan ook nooit heeft hij Sallie met haar voeten zien wippen.
‘Je denkt toch niet dat ik gek ben?’ vraagt Tom.
‘Waarom zou je gek zijn? We hebben allemaal wel eens ergens hulp bij nodig. Het is goed om samen over deze dingen te praten. Werkt dit tijdstip voor jou?’
‘Ik heb de hele dag.’
‘Dat is natuurlijk het voordeel van schrijver zijn,’ zegt Martin. ‘Niet gebonden aan kantooruren. Hoe dan ook, ik hoop dat we snel plek voor je hebben. Je hoort van ons.’
Martin opent de deur en wacht geduldig tot Tom zijn jas heeft aangetrokken, dan geeft hij hem een hand. In de gang blijft Tom nog even staan. Als hij zich omdraait, is Martin bezig met een nieuwe notitie. Hij vangt Toms blik en glimlacht.
In de wachtruimte zit een man in een donkergrijze fleecetrui over een vel papier gebogen. Veertig stellingen. Vier minuut veertig is de te kloppen tijd. Succes ermee. Tom groet de receptioniste en wacht tot de eerste deur gesloten is voordat de volgende opengaat.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.