
Gisterenavond toen de nacht over het dal viel en de krekels, coyotes en muizen de stilte verdreven, heb ik aan één stuk door geschreven en daarna kon ik niet slapen. Ik ging opruimen. Alle verfrommelde a4’tjes, de opgebrande kaarsen, etensresten en verpakkingen heb ik in een vuilniszak gestopt en die dichtgeknoopt. De pan met rijst zette ik buiten voor de veranda neer, en ik bleef in de deuropening staan wachten op de beer. In het maanlicht bekeek ik mijn tattoo. Iedere letter was leesbaar. Ik kreeg het koud, haalde de papierproppen uit de vuilniszak en stak de haard aan. Kijkend in het vuur pro-beerde ik niet te denken aan thuis, niet aan de dagen in het dal die steeds een beetje korter worden en zeker niet aan hoelang ik hier nog zou zijn.
Ik kon mijn rust niet vinden, dus ik besloot om te gaan wandelen. Met de berenratel in mijn hand geklemd en het lampje op mijn hoofd liep ik een tijd rondjes om het huisje, toen de beek af dieper het dal in. Bergopwaarts volgde ik de gloed van de skyline, die de lucht boven de heuvels verlichtte, richting het terrein met de auto en het stenen huis. De schoorsteen rookte niet en achter de gordijnen brandde geen licht. Toch klopte ik aan en keek door de rafelgaten naar binnen. Het enige wat ik zag was de knipperende rookmelder aan het plafond, die met zijn trage gepiep een lege batterij verried.
Ik draaide me om, liep langs het huis, een richting in die ik niet eerder was ingeslagen. Ik bleef lopen, met mijn hoofdlamp op het pad voor mijn voeten gericht, tot het overging in struiken en heuvelop, en ik niet meer wist waar ik was. Een uil riep in de verte, en in de lichtstraal, die ik nu alle kanten op stuurde, fladderde roekeloos een vleermuis voorbij. Ik ging zitten, knipte mijn lamp uit en zag de maan achter de wolken vandaan komen, er weer achter verdwijnen. Hij kwam en ging, steeds weer oplichtend voor hij verdween. Soms gloeide de stad, dan weer een verre donder waarna het stil en donker werd. Ochtend, dacht ik bij het draaien van de wind, bij het schitteren van een satelliet, bij het krijsen van een bergleeuw. Pas toen de lijsters en kleine winterkoningen uitvlogen en het dal weer kleur kreeg, stond ik op en liep verder.
Langzaam breekt de zon door de mist. De bergtoppen kleuren perzikroze, en het dal begint te ritselen. Ik hurk neer bij de poel, was mijn gezicht en boen met mijn vinger mijn tanden. Onder water bewegen zilveren schimmen die wegschieten en achter de stenen verdwijnen als ik ze probeer te pakken. Ik pluk de blaadjes van iets wat lijkt op waterkers, ruik eraan, maar durf het niet te eten. Dan ga ik zitten, met mijn vingers in het opwarmende zand volg ik de kringen in het water. Ik beweeg me niet, ik maak geen geluid en ineens lijkt het dal hetzelfde te doen. Ik hoor de waterval stromen, verder is het stil. Er beweegt niets – de bomen, de raven hoog in de lucht, zelfs de graspluimen op de helling staan roerloos, spits overeind, alsof ze hun adem inhouden en zich opmaken voor weer een lange, lege dag.
Ik leg mijn handen in mijn schoot, draai mijn duimen om elkaar en kijk niet weg wanneer er een propellervliegtuig over het dal vliegt. Niet wanneer een wolk als een laken voor de zon zakt, weer optrekt. Niet wanneer er een sprinkhaan op mijn been springt en zijn voelsprieten over mijn huid beweegt.
Ik kijk, knipper en zie hoe de rots van kleur verandert naarmate de zon hoger komt te staan – van grijsblauw naar zand, van geel naar koper. De lucht boven de steen begint te trillen, zand waait langs mijn benen.
Ik blijf zitten, net zolang en net zo onbeweeglijk, tot er een vel papier over de grond voorbij dwarrelt en in het water belandt.
I’m here, waiting in your cabin, lees ik.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.