Het is zover. Ik ga de voordracht van mijn leven geven. De afgelopen jaren waren de mensen voor wie ik sprak proefkonijnen. Aan hun gezichten probeerde ik af te lezen wat werkte: of ik harder moest praten, langzamer, duidelijker. Konden ze me volgen? Zagen ze dat ik bang was? Ik probeerde een grap en keek wat er gebeurde. Soms gebeurde er niets. Ik werkte toe naar de echte voorstelling. Naar nu. Naar jullie.
De eerste keer dat ik moet optreden, praat ik over schelpen. De proefkonijnen zitten in een halve kring om me heen terwijl ik mijn roze beautycase openklap. Ik leg de eerste schelp, kleiner dan een afgeknipte babyvingernagel, op mijn handpalm en zeg: ‘Deze heb ik in Zeeland gevonden.’ Dan pak ik de witte schelp. ‘Deze heb ik ook in Zeeland gevonden.’ Et cetera. Hun monden hangen open. Er gebeurt eigenlijk niets. Ik kan niet zien of ze het goed vinden, of saai, of dat ze überhaupt begrijpen waarom ik dit vertel.
En ik ben bang voor ze, altijd gebleven. Soms lijken ze amper te ademen. Dan vertel ik mezelf dat het niet aan mij ligt. Af en toe helpt dat.
Het jaar na de schelpen vul ik boterhamzakjes met hondenvoer, nat voer en droge brokjes, en ik laat de zakjes rondgaan in de kring. ‘Jullie mogen ook in de zakjes ruiken,’ zeg ik terwijl ik langzaam het boek met de hondenplaatjes toon. Plechtig worden de zakjes doorgegeven.
Drie jaar later bereik ik een kleine doorbraak, ik tel tot tien in het Italiaans: uno, due, tre, quattro, cinque, sei, sette, otto, nove, dieci, ze zijn niet onder de indruk. Maar mijn oma heeft macaroni met rode saus gemaakt die door de regel-juf in de schoolkeuken wordt opgewarmd. Om 10.00 uur nemen de proefkonijnen een hap. Hier en daar volgt een compliment. Dat jaar win ik de nationale voorleeswedstrijd met Spijt van Carry Slee.
Een tijd lang denk ik het optreden in de vingers te hebben. Maar na de Amedeo Modigliani-lezing, ben ik terug bij af. Zelf ben ik erg onder de indruk van deze kunstenaar en zijn bewogen leven: hij had één solotentoonstelling, tuberculose en stierf toen hij 35 was. Zijn partner sprong de dag daarna na zwanger uit het raam en liet een kind van één achter. Jammer is dat ik mijn voorstelling in het computerlokaal moet houden. Ze zitten achter enorme beeldschermen. Af en toe verschijnt er een hoofd dat venijnig sist; harder spreken, we horen je niet. Door het geblaas van de pc’s blijf ik onverstaanbaar voor ze.
De eerste keer dat mijn testpubliek uit een jury bestaat is twee jaar later; wanneer ik in verschillende talen ingewikkelde dingen moet zeggen. Ik heb amper geoefend. Ik heb amper gegeten. En blijkbaar is amper genoeg, ik krijg de eerste prijs. Ik ben verward maar trots.
Er volgt een rits aan optredens voor proefkonijnen waar ik even snel doorheen zal gaan. En de proefkonijnen veranderen, wanneer ik toegelaten word op de kunstacademie, behoorlijk van aard.
In het Joods Historisch Museum spreek ik voor een enorme groep in het volle avondzomerlicht. Ik draag een zwarte charlestonjurk. K. Schippers is een proefkonijn. Edzard Mik. De zoon van A.L. Snijders en andere schrijvers die nu prijzen winnen. Er zit een gitarist achter me terwijl ik een eindeloos lange clou loze mop voordraag. Nadien komt er een van de proefkonijnen naar me toe. Hij zegt streng; ‘Je was nerveus. Ik zag het aan de draadjes van je jurk. Ze trilden.’ Ik besluit die jurk nooit meer aan te trekken.
In het Theo van Doesburg Theater in Strasbourg draag ik enkel een enorme vleeskleurige corrigerende onderbroek. Maar de avond voordat ik moet optreden ontmoet ik privé één van mijn proefkonijnen op een huisfeestje – een Fransman die Dieudonné heet en dat betekent Geschenk van God. We roken in het raamkozijn. We drinken crème de violette. Zijn ogen zijn zwart als rioolputdeksels en de volgende dag sta ik klaar op mijn sokkel. De theatervloer glanst. Dieudonné en de rest van zijn deelnemers kijken vol spanning, hij kijkt me aan met die ogen. Dan stop ik mijn hele vuist in mijn mond en draag zo mijn tekst voor. Dieudonné schrikt. Hij zegt Ce n’est pas très chrétien. Daarna belt mijn vriendje, dat hij in Studio Tachtig staat en van me houdt.
De proefkonijnen in De Brakke Grond voel ik niet. Het testpubliek op dat verregende festival, ook niet. En de ergste, meest genadeloze proefkonijnen ontmoet ik later – nadat ik ben afgestudeerd en aangesloten ben bij een literair gezelschap dat me het land doorstuurt om op te treden. Bij de opening van een kunstcentrum/winkelcentrum in Brabant draag ik keurig een keurig verhaal voor keurige proefkonijnen. In het verzorgingstehuis, o die vrouw, vertel ik op mijn zwarte lakschoenen het verhaal over de teckel van mijn moeders, als een hele enge vrouw haar rollator plots naar voren rolt om te schreeuwen dat ze doof is. Haar adem ruikt naar bloemkool.
Maar ik schreeuw, articuleer, vertel, mimeer en pauzeer wanneer dat nodig is – ik bied me helemaal aan voor het moment wanneer ik dit voor het echt moet doen, voor jullie maar dan – dan volgt het dieptepunt.
Het grote dieptepunt.
Het literair gezelschap vraagt of ik, naast mijn voordracht, ook een vrije dans wil doen met een dierenmasker op in een theater in Amsterdam Oost voor een grote zaal vol proefkonijnen, dat durf ik niet. En in hun ogen zie ik het; ze vinden me arrogant.
De avond is daar. Mijn geliefde komt ook. Hij draagt een joggingbroek. Ik hoop maar dat alles goed gaat, denk ik als ik mijn toenmalige literaire agent – degene die me het hele land doorstuurt en na twee jaar nog geen uitgever heeft benaderd, afkeurend naar zijn broek zie kijken.
Ik ga achter de microfoon staan. Ik lees het verhaal voor over mijn neef die dat jaar uit een raam is gevallen en wiens begrafenis ik heb moeten regelen, omdat niemand anders het kon – al zeker zijn moeder niet en dus boog ik me over die driehonderd foto’s die haar ex me had gestuurd, toen er ineens een foto tussen zat van die vader in zijn blootje samen met zijn jonge vriendin, buikpijn hadden we van het lachen – en uiteraard moest ik erover schrijven, maar als ik daar sta in dat theater in Amsterdam Oost, ben ik ook verdrietig. Hij was 28. Eigenlijk scheurt mijn buik steeds een beetje meer open terwijl ik de donkere zaal in kijk. Het papier in mijn hand trilt.
Dan de genadeklap: de literaire agent vertelt me dat ze me niet meer verder kan helpen. Dat ik eerst moet oefenen met voordragen. Dat dit iets serieus is. En in het woord serieus meen ik de joggingbroek van mijn geliefde te horen.
Ik blijf optreden. Ik spreek nog steeds te snel. Mijn handen trillen. De sliertjes van mijn jurk trillen. Mijn stem ook. Maar ik buig. Ik neem applaus in ontvangst. Dan ben ik klaar met oefenen. Ik ben klaar voor de voordracht van mijn leven.
Daar ga ik.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.