papieren helden

Aardige vrouwen


Heel eerlijk, het kasteel was niet wat ik ervan had verwacht. In mijn hoofd was het bruin met een toren en kantelen. Een ophaalbrug. Dit was meer een klassiek landhuis. Het had iets zelfverzekerds, met krullerig houtwerk dat langs de dakranden liep. De voorgevel was betimmerd met witte planken. Een brede trap liep naar de dubbele deuren aan het bordes. Het huis keek met vierentwintig ramen uit op zijn eigen landgoed. Aan de voorkant was een terras omringd door een geel waas van toverhazelaars. De bomen waren oud en groot, alsof zij er al stonden voordat het kasteel gebouwd werd. De koets stopte tussen de twee stinkende vijvers op de oprijlaan.

‘We gaan achterom.’

‘Is de achterdeur bij jullie altijd open?’ vroeg ik.

‘Eigenlijk is alles altijd open, er lopen hier zoveel mensen rond.’

Bij ons liep niemand rond. Er was een keer een man langsgekomen om de ketel te vervangen, hij was tegen de glazen deur aan gelopen. Met een washandje met ijs tegen zijn neus gedrukt had hij aan de eettafel gezeten.

Naast de achterdeur stond een krat met lege wijnflessen. Ik stapte een gang binnen en keek heimelijk toe hoe Dolores haar handen waste. Ik deed wat zij deed. Je handen met lavendelzeep wassen, zo midden op de dag, voelde als luxe. Boven de wasbak stond een opgezette fazant, slap en schraal, alsof niet de vogel zelf, maar zijn uitwaseming was achtergebleven.

‘Achter die deur kun je je spullen kwijt.’ Er zat een klein spatje zeepsop op haar kin.

Ik stapte een kamer binnen waar voornamelijk laarzen stonden. Boven elke plank hing een naamplaatje; drie meisjesnamen, Sjef en Cécile.

‘Waar zijn je zusjes?’ Dolores was te oud voor hun spelletjes en functioneerde als extra moeder.

‘Bij de au pair,’ riep ze. Ik zette mijn schooltas in de hoek op de grond. De gang liep door tot het trappenhuis. Hier en daar stond een standbeeld, een jachtgeweer hing horizontaal aan de muur en er was een tafel met uitgewaaierde tijdschriften.

‘Wat is dat?’

‘Wat?’

‘Die soort van mummie?’

‘Een sarcofaag en daar is de wc,’ zei ze op een manier alsof het mijn eerste werkdag was.

Ik knikte en leunde tegen een paardenbeeld. Heren links en damestoilet rechts, het onderscheid werd gemaakt via geschilderde portretten die aan de wc-deur hingen. Het portret van de vrouw was zo groot als een a4. Ze keek zoals je kijkt als je iets weet wat de ander niet weet. Ze keek zoals Dolores kon kijken. In de hal hing een schilderij van een baron die verveeld zijn zwaard toonde.

In het souterrain voelde het anders dan in de rest van het huis. De ramen op straatniveau lieten weinig licht binnen. Het rook er naar fik in plaats van naar Febreze. Dolores trok de koelkast open, in de deur stonden pakken fruitsap en ze schonk twee glazen in.

‘We koken hier eigenlijk niet,’ zei ze. Ze wierp me een blik toe. ‘Sinds kort hebben we een nieuwe keuken, achter bij de boerderij, die kan ik je straks wel laten zien. Ze gaan er een hotel van maken.’

‘Dat lijkt me wel wat, wonen in een hotel.’ Ik nam een slokje. Het vruchtvlees bleef aan mijn tanden kleven. Ik keek naar haar handen op het tafelblad. Ze had wel iets weg van Napoleon, dezelfde ronde wangen. Een gezicht waarvan je de wang wilde losmaken om er een dutje op te doen. In het midden van de keuken stond een tafel vol schalen met perziken en gebak.

‘Wil je truffel?’ vroeg ze terwijl ze huishoudfolie lostrok van een bord.

Ik wilde dat niet.

‘Ja, is goed.’

Terwijl ik op de paddenstoel kauwde, keek ik om me heen. ‘Wat is dat?’ Ik wees naar een apparaat.

‘Een sous-videmachine.’

Ik dacht aan de snijmachine die mijn moeder in de schuur had gezet.

‘Was het niet logischer geweest als jij toch de snijmachine had gewonnen?’

‘Hoezo?’

‘Gewoon.’

‘We hebben er al een, een professionele.’

‘Is de mijne dan niet een professionele?’

Cécile stond boven aan de trap. Ze was gekleed in een herenhemd en een beige broek, haar haren had ze in een staart gebonden, ze was mooi.

‘Ik zit te denken, lieverd…’ zei ze met een zachte botte stem.

‘Ja, mam?’ Cécile keek naar mij, alsof ze mijn mening ook nodig had en ik probeerde te laten zien dat ik kon helpen.

‘Cindy…’

‘Ja?’

‘Je kijkt wel serieus, nee, laat maar zitten. Zorg ervoor dat ik jullie niet overal moet zoeken straks. Ik zit op mijn kantoor.’

Het klonk als een zin die ze graag zei, en ik vroeg me af wat een zangeres op een kantoor deed. Vanuit het trappenhuis kon je tot aan het dakraam kijken, als in een Parijs’ appartementsgebouw. Cécile zette haar voet op de bovenste traptrede.

‘Nee trouwens, loop toch maar even mee, Dolores. Ik heb je mening ergens over nodig.’

‘Ik kom zo.’ Dolores keek me gespannen aan. ‘Ga maar vast naar de bergerie.’

In de gang zag ik een man in rubberlaarzen gebukt staan over een nest ijzerdraad, alsof hij er iets uit probeerde te peuteren. Het was Reinier. Degene die in het poorthuis op het landgoed woonde. Hij gooide de draad in een hoek en keek mijn kant op.

‘Weet jij waar ze zijn?’ bromde hij.

‘Boven.’

‘Mooi niet.’ Zijn rug was krom en hij had een gezicht als het zitvlak van een rieten stoel. Hij raapte de draad van de vloer en liep door de achterdeur het terras op. Ik volgde de hovenier, misschien wist hij wat een bergerie was en waar ik het kon vinden. Hij gooide de spullen in een kruiwagen, die hij de heuvel af duwde, naar het erf achter het kasteel. We liepen naast elkaar. Er hing niks van gêne in de lucht.

‘En wie ben jij, jongedame?’

‘Cindy, meneer.’

‘Kalfjes al gezien?’

‘Ben hier voor het eerst. Dolores zit bij mij in de klas. We zijn vandaag met de koets opgehaald.’

‘Och, dat circus.’ Hij parkeerde de kruiwagen onder een overkapping en knikte met zijn kin naar een verhoogd pad dat naar de stallen leidde. Het leek daar niet op een kinderboerderij, eerder een beetje donker en verlaten – maar wel interessant.

‘Woon je in Voeren?’ We stapten over een stapel kapotte bakstenen en liepen de binnenplaats op, aan deze kant was het aangenaam. Verderop lag het zwembad met daaromheen Griekse standbeelden.

‘Nee, Bombaye.’

‘Bombaye? Bij de Walen? Hoe beland je daar nou? Je klinkt niet Frans.’ Hij trok een tandenstoker uit de borstzak van zijn overall.

‘Klopt meneer, mijn moeder is in Utrecht geboren en ik in Maastricht. We zijn een paar jaar terug hier komen wonen.’

‘Ach zo. Ik kom ook uit Utrecht.’ Hij duwde een zware poort open, erachter was het donker en de vloer liep schuin af. ‘Maar ik hou van de stilte van het platteland.’

Er klonk gestommel. We stapten de stal binnen, waar het rook naar ammoniak. In de hoek zat een konijn op een berg hooi. Ik hurkte om het beest te aaien en streek het oor als het blad van een plant tussen mijn vingers.

‘De kerstmaaltijd,’ zei Reinier.

Ik knikte zakelijk.

‘Wat doen je ouders?’

‘Mijn moeder knipt bejaarden en mijn stiefvader werkt op een kantoor.’

Er klonk een klap, het konijn sprong verschrikt weg.

‘Mooi. Dat is mooi. Hecht je maar niet te veel hier. Het is niet helemaal… Het is…’

‘Wat?’

‘Ach, als je het jezelf makkelijk wil maken dan speel je gewoon mee. Anders vinden ze toch wel een manier, om je… Om…’

Ik wilde vragen wat hij bedoelde. Het klonk als een waarschuwing, maar ik kon niet goed peilen of ik hem had uitgelokt tot verraad of dat hij gewoon geïrriteerd was om iets anders. Hij slikte de rest in.

Het was koud in de stal. Reinier schoof het slot open en gaf met zijn heup een duw tegen een lage staldeur. Er lagen twee pikzwarte kalfjes in het hooi. Ze roken naar warme grond met een vleugje melk. Naar vlees en dan niet bloederig. Gewoon naar dier. Ze lagen daar alsof ze nog niet helemaal bestonden. De moeder bleef rustig staan, ze leek onze aanwezigheid te tolereren. Reinier legde zijn hand trots op haar kont. Zo stonden we te kijken naar die twee zwarte gaten.

‘Je mag ze aaien.’

Dat hoefde niet. Zo onschuldig en nieuw waren ze. De zon viel schuin naar binnen, tot achter in de stal, en er kwam iets zachts in me los, ik werd stil.

‘Nou. Ik moet weer door.’

‘O, weet u waar de…’ Ik was het woord vergeten. ‘De iets met een b is?’

‘Bergerie? Dan moet je terug naar binnen en naar boven.’

Hij straalde iets ondeugends uit. ‘Het is gewoon een stom woord voor woonkamer.’

Het gebouw voor me had glas-in-loodramen. Het leek een tuinkas. Ik duwde tegen de deur maar die gaf niet mee en keek met mijn handen langs het gezicht naar binnen. In het midden stond een tafel met kwasten in potten en tubes verf ernaast. In de hoek zag ik een schildersezel staan met een vlekkeloos schort aan het haakje ernaast. Er klopte iets niet. Ik zette een paar stappen achteruit en keek naar het glazen dak vol dode vliegen, wespen en kevers die ertegenaan waren gebotst. Aan de andere kant van het gebouw keek ik door het zijraam naar binnen. Tegen de muur stonden opgestapelde stoelen, een tafel vol spullen. De canvassen, zeker twintig stuks, waren spierwit. De verftubes stonden strak en tussen de zachte kwastenharen hingen spinnenwebben. Het straalde geen belofte uit, maar wanhoop.

‘Hier ben je! Ik was je overal aan het zoeken.’

Dolores kwam aanlopen. Ze had een beschuit in haar hand en gaf me de helft.

‘Waar is je jas, Cindy?’

‘Binnen. Wat zit hier?’

‘Het is te koud buiten voor zonder jas, straks word je ziek. Kom.’

We wandelden terug naar het kasteel.

‘Die spullen heeft de au pair klaargezet.’ Dolores kende één woord in de taal van de au pair, pracovat. ‘Ze snapt niet dat het uren duurt voordat het warm is in de kas. Mijn moeder wil niet dat ik binnen schilder.’

‘Schilder jij ook?’ vroeg ik verrast.

‘Ja. Wat dacht je dan. Alleen gebruik ik olieverf. Dat geeft net wat meer diepte.’ Er trilde een zenuw onder haar oog.


Dit is een hoofdstuk uit Aardige vrouwen van Megan van Kessel dat op 18 augustus 2026 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Megan van Kessel