
En toen was hij voor de zoveelste keer op rij te laat komen opdagen. En zijn werk was slordig geworden. En zijn productie laag. En hij leverde steeds minder bossen af. En de bossen die hij afleverde waren van slechte kwaliteit. Sjoemelwerk. Er zat troep tussen: scheve, onbruikbare takken, takken waar niet aan verdiend kon worden en die alleen maar kostbare ruimte innamen. En de anderen roken het aan hem. Door de alcohol heen roken ze zijn verdriet. En ze klaagden over zijn manier van hakken. Hij hakte de takken te laag en te hoog, waardoor ze krom teruggroeiden. En dus kostte hij meer geld dan hij opleverde. En toen, halverwege de winter, werd hij door de griendbaas uit de ploeg gegooid. Op de binnendijkse grienden was hij niet langer welkom.
En toen zat Kobus thuis, zonder werk en zonder afleiding.
En toen had hij een brief gekregen. Het arbeidsbureau vroeg hem een aantal zomermaanden lang te bivakkeren op het terrein boven de vloedlijn van het Haringvliet. Zijn kennis en ervaring waren nodig. Er moesten zinkstukken komen. Er werd een dam gebouwd.
Hij keek om zich heen. De kamer was stil en leeg. Hij kon het prille zonlicht van buiten door de gesloten gordijnen heen zien schijnen. Het moest ergens in de middag zijn, maar zijn vrouw lag boven in bed. Ze sliep. Dat was goed. Ze had al lang niet geslapen. Hij nam een slok. Hij had al besloten. Als ze wakker werd zou hij het haar vertellen. Dat hij een flink pak geld zou kunnen verdienen, zodat ze misschien op den duur een huis konden kopen. Een ander huis. Op een andere plek. Ja, zo zou hij het haar zeggen. Hij zou niet zeggen dat hij een reden zocht om maar niet thuis te hoeven zijn, om haar maar niet onder ogen te hoeven komen, om maar niet in deze stilte zijn eigen gedachten te hoeven horen.
En toen het zomer was stond het hout van de wilgen dat ’s winters uit de griend was geoogst in stellingkasten op het dijktalud. Handwerkers namen de wilgentakken mee en bonden ze met zijn vijven op tot enorme wiepen van wel zestig meter. Als de wiep klaar was, werd die afgerold naar een drooggevallen stuk land. Daar werden alle wiepen tezamen verbonden tot een raamwerk van zo’n zestig bij honderd meter. Vervolgens werden bossen riet over het raamwerk verspreid, waarna het bouwsel werd afgetopt met een nieuw raamwerk. Het bovenste raamwerk werd daarna vastgesjord aan het onderste. Zo ontstond een reusachtige mat, een zinkstuk, dat werd afgezonken om te voorkomen dat de bodem van een rivier of watermonding uitschuurde. Zinkstukken temden het water, maakten het beheersbaar. Ze vormden de basis voor elke nieuwe kering in een rivier of zeearm. Voor iedere kering waren tientallen zinkstukken nodig.
Als zo’n stuk gereed was, werd er gewacht op het opkomende water van de vloed. Het water kwam en liet de wilgenmatten drijven, waarna ze door een grote sleepboot konden worden weggesleept naar de plek waar ze afgezonken moesten worden. Daar aangekomen werd het zinkstuk op de aangegeven plaats gemanoeuvreerd, wat door de sterke stroming nooit eenvoudig was. Bevond het stuk zich ook maar iets buiten de aangegeven positie, dan werd het voor niets afgezonken. Zodra het drijvende raamwerk vrijwel op zijn plaats lag, voeren ankeraken uit met aan boord de aflopende trossen die aan het zinkstuk waren vastgemaakt. Op grote afstand werden de ankers die aan de trossen vastzaten overboord gezet. Zij zorgden ervoor dat het stuk redelijk op zijn plaats bleef liggen. Mannen met lieslaarzen stonden op het zinkstuk en haalden de trossen aan wanneer het niet helemaal op zijn plaats lag. Kleinere sleepboten sleepten grote bakken met stortsteen aan, positioneerden die aan weerzijden van het stuk. Vanaf de bakken werden, op regelmatige afstand van elkaar, loopplanken gelegd. De mannen namen plaats op de planken. Ze wachtten af. Wachtten op het teken van de opzichter.
Kobus was zo’n opzichter. Hij stond op de sleepboot en maakte aan de hand van bodemmetingen een inschatting of het stuk goed lag of niet. Als hij zijn zegen gaf, begonnen de mannen op de loopplanken het stuk te ballasten met stenen die ze vanaf de bakken aan elkaar doorgaven. Ze werkten vanuit het midden van het stuk naar de bakken toe. Wanneer het middengedeelte onder water verdween, trokken ze zich terug tot bij de bak. Op het laatst reikte het water bij de mannen die nog op het stuk stonden tot boven de knieën. Dan, als het zinkstuk onder water was verdwenen, hing het als een soort zak aan de zinklijnen.
Kobus gooide vanaf de sleepboot zijn loodlijn uit in het water. Hij mat de stroomsterkte. Hij wachtte op de kentering. Het korte moment waarop het water stilstaat en het tij van richting verandert. Dat was het uur U. Alle mannen gingen op de rand van de steenbakken staan. Het was doodstil. Niemand sprak meer en niemand verroerde zich. Alle aandacht was op Kobus gericht. Zodra die de kentering in zijn loodlijn voelde, vloog hij met een schorre kreet overeind.
Gooi uit! Gooi uit! schreeuwde hij zo hard als hij kon.
Zijn stem galmde dan over het water.
Vanaf de bakken begonnen de mannen de stortsteen gehaast op het stuk te gooien. Steen voor steen, steen voor steen. Daar was haast bij geboden, omdat het moment van de kentering niet verloren mocht gaan.
De zinklijnen werden gevierd, waarna het stuk verder onder water verdween. Nog altijd stortten de mannen stenen de diepte in, net zo lang tot de bakken leeg waren. Dan was het aan de opzichter om te oordelen of het stuk op zijn plek lag.
De lijnen werden ingehaald, net als de ankers.
De mannen voeren terug naar het talud om een volgend raamwerk te vlechten.
Rookpluimen aan de horizon, drijvende kranen verschenen op het water. Een leger van kolossen: steenkranen, leemkranen, baggermolens, bunkerschepen, sleepboten. Hun grote grijpers lieten enorme hoeveelheden grijze bagger, klei, beton en zand op het zinkstuk glijden, zodat het nooit meer omhoog kon komen en één werd met de bodem.
Kobus trok zich terug in de grootschaligheid van de onderneming, in de anonimiteit van de werkploegen, van de zandzuigers en de draglines, van de ontelbare verrichtingen die elkaar opvolgden en die vanuit het niets, vanuit het onvaste water, gaandeweg het profiel van een dam zichtbaar maakten. Het was handwerk, krachtwerk. Mannen die een groot roosterwerk vlochten. Mannen die houten staken in het roosterwerk sloegen. Mannen die stenen wierpen. Tal van mannen sjorrend, hijsend, trekkend, duwend, zeulend. Het gaf hem het gevoel ver weg te zijn, een gevoel van afstand en zekerheid. Iedere keer als het moment om te zinken daar was, reageerden de mannen als elektrisch bestuurde automaten op zijn korte zakelijke commando’s. Hier pasten geen vragen, geen aarzelingen, geen gedachten.
En toen maakte hij een fout. Gebukt bij de rand van de sleepboot concentreerde hij zich op de loodlijn die hij in het water had hangen. Op het ronken van de stationair draaiende bootmotoren na was het stroomgat in stilzwijgen gehuld. Kobus hield zijn adem in en zette zich schrap, deed zijn best het moment van drukverschil aan te voelen.
Maar nog voor de stroming stilviel zag Kobus iets onder het wateroppervlak. Dat iets leek op een iemand. En die iemand leek op haar.
Kobus schrok overeind en de mannen om hem heen zagen hierin het teken om te gaan zinken. De stenen werden op het stuk gestort. Kobus schreeuwde nog dat ze moesten stoppen, maar hij werd door niemand meer gehoord. Het kwaad was al geschied. Een zinkstuk en al het werk dat erin was gegaan ging verloren.
De mensen wisten dat hij zo nu en dan een borrel nam, dat hij te allen tijde een heupfles in zijn kiel droeg, ook tijdens het werk en zelfs ook op de sleepboot. Ze stelden geen vragen, begrepen van horen zeggen dat hij daar zo zijn redenen voor had en daarom werd zijn drankzucht door de anderen gedoogd. Zolang het werk er niet onder leed was er niets aan de hand.
Maar na het voorval gingen de mensen praten.
En door wat hij meende gezien te hebben ging Kobus weer meer drinken. Zijn fouten werden regel in plaats van uitzondering. Zijn aanwezigheid een stoornis in een geoliede machine.
En toen werd hij ook van deze plek weer terug naar huis gestuurd. Terug naar waar hij zo graag vandaan wilde.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.