papieren helden

FB

De gastheer

Waar is Keith? Hij staat achter de conga’s in een Londense club. De Afro-Cuban Maníacs spelen de hele zaal doormidden en hij staat als een Mongo Santamaria de dansers in extase te brengen. Wanneer is dit? De eighties. Hij is happy, zie die kop! Wat je niet ziet: de stront waarin hij tot aan zijn nek is gezonken.

En Keith, de grote Keith, vind je ook achter een raam op de achtentachtigste verdieping of daaromtrent van een Liverpools ziekenhuis. Daar hij staat te grienen om zijn vrouw Laura, die bijna doodging maar niet helemaal en die hij zo weer onder zijn arm meeneemt als hij tussen de regenwolken wegzweeft. Weg van dat eiland, weg van dat continent, weg, terug naar hun compound in Gunjur, op de grens van Gambia en Senegal en de oceaan, waar hij al veel langer woont dan ooit in Engeland.

Keith.

Op dit moment, in alle vroegte, ben ik hier. Ik loop de compound over van ons huis naar het zwembad. Het tempo van een bejaarde, de dag voor me. In mijn zwembroek. Er is nog niemand, de vogels zijn er, honingzuigers, gefladder, een godheid is met een kwastje overal blauwe en gele en rode stippen aan het zetten in de palmen en cashewbomen. Zo gaat dat hier.

De gasten slapen allemaal nog in hun vakantiehuisjes rondom.

Daar komen Fatou en Lamin aanwandelen. Eén en twee. Sinds Sol weer weg is, tel ik de medewerkers. Sinds hij verloren is. Niemand hier praat erover. Nog drie moeten er komen. ‘Hallo, Dad!’ Zo noemen ze mij, ik laat me dat aanleunen. ‘Hallo Dad, hoe is vandaag?’

‘Goed, en jullie? Goed geslapen? ‘

‘Yes, Dad, take it easy!’ De andere personeelsleden druppelen ook binnen. ‘Gaat u zwemmen, Dad, hoe is het water vandaag, niet te koud?’

‘Het water is heel nat vandaag,’ zeg ik en dan zet ik mij af en dobber naar de overkant.

Zo vaak heb ik ze gevraagd een duik te nemen, ‘het is ook jullie zwembad,’ roep ik steeds, maar ze zwemmen hier nooit. Waarom niet, een raadsel.

Daar loopt Laura, mijn wettige. Vermagerd. Haar vel hangt in scheve plooien van haar armen. Ze heeft nog steeds zware benen, maar kijk hoe los die huid, hoe wit dat gezicht. Hoe moeizaam ze loopt, als ze in het kantoortje is aangekomen zal ze eerst moeten uitrusten. Het is gekkenwerk. Laura. Kijk, als ik over haar praat leg ik een hand op mijn hart. Iedereen houdt van haar. Zij verdeelt het geld, alle activiteiten en giften lopen via haar, nog steeds.

Ik kom nooit meer van deze compound af, dat gevoel heb ik opeens.

Het zwembad. En daar rechts het podium. Niet lachen, het ís echt een podium, ook al is het maar tien centimeter hoog, waarop elke week muzikanten staan te spelen. Eergisteren nog Jeli Yankuba met zijn kora. En vanavond Moussa’s Academy Band. De beste band uit deze hele regio. Ze spelen traditionele muziek, maar ook de jongeren gaan daar goed op, zij voelen de energie en de kracht van de ritmes. Voor zover er nog jongeren zijn. Sinds corona zijn er hier zeshonderd verdwenen. Met jongeren bedoel ik: jonge mannen. En met verdwenen bedoel ik: weggegaan en verdronken.

Sol zat in die band. Naast ‘prime employee’ van deze lodge – ha! – was hij djembémeester. Anderhalf jaar geleden was hij ineens vertrokken. En binnen twee maanden kwam hij weer terug, vermagerd, met een nog stoerdere glimlach dan normaal. Hij was tot Libië gekomen, daar opgepakt, totaal in elkaar geslagen en weet ik wat allemaal. Ontsnapt. Teruggekeerd. We hebben hem gewoon weer laten aansluiten, hem stevig omhelsd, god wat zijn we blij dat je terug bent, sukkel, klootzak, hoe haal je het in je hoofd. Hij stond hier weer gewoon blaadjes uit het zwembad te vissen, gasten rond te leiden door het dorp, langs de schooltjes. Eten maken, afwassen.

En toen niet meer.

Sol: afwezig.

We konden niet geloven dat hij de sprong weer had gewaagd, weer naar Europa, het onbeloofde land. Nee. Waarschijnlijk zit hij ergens in Senegambia, verhuurt hij zich als bodyguard aan de toeristen. Zo wordt gezegd over die mannen. Of ze zeggen: hij heeft een Europese vrouw gevonden die voor hem zorgt. Dat verklaart waarom hij zich niet meer laat zien, die kerels schamen zich ervoor. En terecht.

En nu? Nu lig ik languit op mijn rug op bed voor de siësta. In rust. Naast Laura, die licht snurkt. Ooit gaat ze dood. Ik ook. Ruggelings zak je in de slaap. Zo hoop ik dat het gaat. Je zakt hulpeloos in een droom, en daar zweef je. Alles vergeten. Niet alleen de vervelende dingen, alles.

Hier zeggen ze: ‘Je sterft, maar je geest blijft leven, je hebt alleen geen huis meer. Je moet hopen dat de levenden je een plaats geven, dat ze je gastheer willen zijn.’

De wind.

De bladeren van de mango’s en cashews zijn zo droog en hard, in de wind klapperen ze. Rood stof als verf op elk blad. Voor mijn geestesoog zie ik de rode zandweg achter de poort. De cassaves daarachter. Ook droog en rood van het stof. De weg het dorp in, langs de hutjes met hun hekwerken van palmbladeren. Drie vrouwen staan bij een put kleren te wassen. Altijd. De honden. De kleine kinderen. De kippen. Links is de afvalberg, altijd gieren aan het scharrelen. ‘Hi Dad!’ Dan kom je op het pad naar de nieuwe moskee. Breder. De bomen zijn hier groener, verfrist door de lucht direct van zee. Landjes. De wazige moskee in het ochtendlicht. Hij is nooit afgebouwd, van buiten is hij majestueus, van binnen nauwelijks bruikbaar. Toch komen er mensen op af, massa’s, ervoor zijn altijd jongetjes aan het voetballen, 6, 7, 8 partijtjes tegelijk zijn er bezig, jongetjes op één schoen, lekke ballen. Hi dad! Hi boys! Altijd. De schelpenzoekers die witte zakken vullen met hun schelpengruis. Verderop zijn wel eens mensen gevonden, dood natuurlijk, neergestoken, op de landjes onder de bomen, niemand weet waarom, alleen die verdomde Barrow, president Barrow.

Waar ben ik nu? In mijn herinnering. Een maand geleden.

In mijn herinnering ga ik het duintje over. Langs de aangespoelde vis. Touw. Plastic. Over het harde zand. Het ruisen van alles. De sensatie toen mijn blik werd geopend door de zee. De gele lucht, angstaanjagend en schitterend. In de vroege ochtend zie je de zon pas als je de bocht naar het oosten hebt genomen, vanuit de horizon komt een oranje warmte aangolven. De ruwe rotsen in de branding waar je je poten aan openhaalt. Als altijd. Er was het waaien, ingehouden stemmen. Een groep van meer dan honderd mensen. De twee boten op het water. Mensen erop. Mensen waadden ernaartoe. Ik kon niet doorlopen. Ik kon niemand groeten, niemand vragen wat er gebeurde. Ik wist wat er gebeurde. De met mannen volgepakte boten, deinend op de branding voor vertrek.

Een stilte die je bijna niet hoorde, zo blies de zee, zo murmelden moeders, zo werden riempjes aangegespt, zo suisde de zon in die gele hemel. Stilte van ingehouden angst, van een indringer.

Ik zag Sol in een rood-geel-zwarte boot klimmen en een staanplaats innemen tussen de anderen.

Ik kon niet ’Sol’ roepen.

Solomon.

De mensen stonden in groepjes op het zand, bij elkaar, maar toch apart. Dat was verdriet. En ze zwaaiden en riepen en gebaarden met hun hele lichaam, dat was hoop. De zee was groen. En hij stopte nooit, de zee, hij was een verbinding tussen hier en daar. Over een paar uur was hij blauw, en later zwart.

Ik kon niks zeggen. Het water is heel nat vandaag. Tegen mij waren ze stil, de moeders en zussen en broers wierpen een blik op mij en wendden hun hoofd weer snel af en ik hoefde alleen maar een paar stappen achteruit te zetten om uit beeld te verdwijnen. Dat was de overeenkomst die we aangingen, een afspraak over onze rollen, de mijne was: opkrassen. Ik draaide me om en heb niks gezegd.

Het heetste uur is nu voorbij. Ik kijk naar Laura die naast me ligt. ‘Doe je ogen open,’ zeg ik. En nog een keer. Dan doet ze het.

’s Avonds bij het optreden van Moussa’s Academy Band zit ik vooraan, als altijd. Op de plastic stoelen in de rij achter mij zit de groep van Nederlanders die deze week bij ons verblijven, en losse gasten en mensen uit de buurt.

Het vuur brandt in de zandkuil, aangewakkerd door de wind.

De band speelt Dununba. Twaalf man: een vuurpeloton van muziek. Trommels: een puls, trillingen van alles met alles, tegendraadse kinderen, kleine aardbevingen. Dansers ervoor op het zand, dansers als uitbundige dieren.

Ik kan niet meer dansen. Maar ik kan wel als enige Europeaan hier tussen de dansers staan en de pose aannemen van kracht en leven, en mijn ogen kunnen nog vonken. Keith, de Leeuw. Om me heen praten de trommels. Ze zeggen: de man zit voor zijn huis. De man zit voor zijn huis en er komt een kind aan en het speelt voor hem op de grond. Er komen nog meer kinderen, en dieren, en de man verdwijnt en dan komt de zon en de natuur en alles wat daarbij hoort. En er zijn dansers om mij heen en die praten ook. Zij zeggen: ik ben mooi, ik ben mooi, ik ben sterk, ik ben sterk. Het flikkerende licht van de vlammen, de wervelingen in het donker, de plotseling oplichtende gezichten overal, alles door mij heen.

Als ik weer ga zitten, naast Lamin, zeg ik: ‘Ik hoop dat Sol snel terugkomt.’ En Lamin zegt ‘Oh, Dad.’

img


Alles wordt zacht, maar heel langzaam. De muzikanten laten de pauze tussen twee nummers voortduren terwijl ze met elkaar spreken, de gasten fluisteren en trekken zich onopvallend terug in hun verblijven.

Wij blijven over, the owners en onze werknemers.

Deze nacht zitten we in een kring. Het vuur houden we laaiend. En Lamin rommelt met zijn telefoon en dan staat hij op en legt hij de telefoon in mijn schoot en loopt weg. Op het schermpje zie ik een foto van Sol. Zonder shirt, dat doet hij vaak, in de lodge droeg hij dan alleen een zwarte broek die bij een kostuum hoorde. Zijn ogen zijn vreemd, hij lijkt high. Zijn lippen van elkaar. Opgezwollen gezicht. Alsof hij in elkaar geslagen is, of ineens heel oud, maar dat is het niet.

Het geblaas van de zee hoog in de lucht.

Daar zitten we allemaal naar te kijken, de zwarte lucht van de zee en Sol en al die anderen.

Ik dacht dat ik een geheim bewaarde, maar iedereen weet alles.

Bye dad, slaap lekker. Als Laura en ik naar ons bed gestrompeld zijn en weer zo roerloos naast elkaar liggen en mijn wettige haar ogen gesloten heeft en ik bang ben dat ze wegzakt, dat ze wil ademen maar het niet kan, dat er geen droom in haar hoofd is om in te weg te zakken, omdat ik te slecht voor haar heb gezorgd, voor haar en voor Sol, voel ik een klap. En ik stijg op, de zwaartekracht heeft me losgelaten, ik begin verdomme weer te vliegen. Voor ik het weet zweef ik boven de compound, over de bomen heen, ik zie de medewerkers bij het zwembad, gaan ze nu dan eindelijk zwemmen, spring erin! Maar ze hebben hun kleren aan. Ze lopen ongeduldig rondjes langs de rand van de zwarte poel, ze verzamelen zich en als iedereen er is lopen ze het pad af naar de poort, Sol is daar ook, tussen hen in. Linksaf de weg op naar de zee, Jezus gaan ze allemaal? Vanuit de hoogte zijn ze niet meer te onderscheiden, opgelost in het donker, verloren, nee, verloren ben ik, de grote Keith. Ik word meegezogen door de hemel, ik weet al waarheen.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Jeroen Blokhuis