Muilezel
aeropuerto de madrid barajas. In blokletters op het gebouw voor me. Overal zwaarbewapende guardias civiles. Mijn roze rugzak op mijn buik geklemd. Mijn witte zomerjurkje kruipt omhoog. Zweet hoopt zich op rondom mijn borsten. In het vliegtuig had ik mijn spijkerjas uit willen doen, maar het strijkplaatje van de smiley kleurde te goed bij mijn jurk. Op mijn tas staan met Typex geschreven teksten van mijn vriendinnen, smoezelig geworden door de tijd.
In mijn hand De aanslag van Harry Mulisch. Volgende week moet ik er een boekverslag voor inleveren. Ik ben bij het stuk waarin Anton naar zijn oom en tante gaat. Ik knijp met mijn ogen en adem de droge, warme lucht in. Föhnwind, typisch voor augustus. Om acht uur ’s ochtends is het warmer dan overdag in Nederland. De zon lijkt feller in Spanje, het ruikt naar vakantie.
Bovenaan de trap bij de deur van het vliegtuig. De brug is defect, er moest getaxied worden naar de parkeerplek midden op het platform. Achter mij dringt een man met zijn rolkoffer en duwt met de hendel in mijn rug. Zonder om te kijken loop ik de trap af, richting de fluorescerend geklede platformmedewerkers. Arm om mijn rugzak, boek in mijn hand.
Die tas hou je in de gaten tot je bij je opa bent, had mijn vader gezegd.
Bij binnenkomst knik ik naar de beveiliging. Mijn gympen piepen op de gladde marmeren tegels van de bagagehal. Als ik vragen krijg ben ik op bezoek, meer niet. Mijn bagage is mijn rugzak. Mijn rugzak mijn bagage. Regelrecht door naar de uitgang, naarabuelo Jorge en abuela Conchi die bewegingloos op me staan te wachten.
Eén jaar na de treinaanslagen in Madrid. Abuela werkt als au pair in de wijk naast treinstation Atocha, in een appartement aan het spoor. Die dag zag ze bebloede mensen voorbijlopen. Mensen met kinderen op de arm, ledematen losgerukt. Mensen die lege kinderwagens achter zich aan sleepten, kreten uitsloegen die niemand kon verstaan. Sommige kinderen waren in een eeuwige slaap, zei abuela. Mannen en vrouwen gekleed in flarden, hun handen bij hun bebloede gezichten terwijl ze door gaten in de hekken langs het spoor kropen. Sporen van bloed door de straat. Abuela Conchi zou in een van die treinen zitten, maar abuelo was met haar wakker geworden en had zin om haar te brengen. Ze stapt niet meer in een trein.
Na de gebruikelijke Spaanse groet – twee halfnatte zoenen op mijn wangen en een omhelzing die eindigt met het schudden van mijn bovenlijf – lopen we richting de parkeergarage van het vliegveld. Mijn arm nog altijd om de tas. Het geld in de bodem, onder de flap met rits. Toen ik de rugzak uitkoos leek dat vak me handig voor mijn broodtrommel. Bij thuiskomst bleek die toch te dik te zijn. Naar school is het vak leeg. De dubbele bodem dient nu voor het eerst een doel. Erbovenop legde mijn vader wat schoolboeken en mijn schoolagenda, met de gegevens voor de heen- en terugreis. Die boeken waren belangrijk, zei hij. Verder moest ik hem kleren aangeven voor de komende dagen, om het laatste gat te vullen. Mulisch paste er niet meer bij.
Wat je ook doet, tas dichthouden onderweg. Je zorgt maar dat een pen, je ticket, je paspoort en wat kleingeld in je voorvak zitten. Verder blijf je weg uit dat grote vak tot je bij je opa bent, hoor je me?
Ik knikte terwijl hij sprak. De tas is alleen bij stijgen en dalen van mij af geweest, de schouderband om mijn voet gewikkeld. Nu zijn we bijna bij de auto.
Abuela Conchi en ik stappen in, abuelo betaalt de parkeerkaart. Dat gaat meestal gepaard met gevloek, omdat het toch een paar euro zijn die hij had kunnen besparen als ik zelf met de metro en de trein naar hun huis was gegaan. De gebruikelijke temperamentvolle ruzie tussen abuelo en abuela, midden in de parkeergarage. Spaanse kreten echoën tegen de betonnen muren en pilaren.
Jouw opa haalt het leven uit mijn lijf.
Het zijn de eerste woorden die ze tegen me zegt sinds ik er ben. Thuis hoor ik geen Spaans meer sinds mijn moeder Nederlands heeft geleerd. Mijn armen ontspannen, ik leg mijn verkrampte handen op mijn schoot. We rijden.
Mag ik mijn tas openmaken? vraag ik abuelo.
Waarom zou dat niet mogen? Hij klinkt verbaasd.
Abuela Conchi beukt met haar vuist op zijn bovenbeen.
Nou eh, wat heb je nodig dan?
Alleen mijn agenda, antwoord ik. Ik wil weten hoe laat ik over drie dagen weer naar huis ga.
De rit is stil, ongemakkelijk. Op abuela’s achterhoofd een kale plek, waar dunne haartjes doorkomen. Af en toe krabt ze eraan. De vlassige veertjes vormen een schim van de dikke bos haar die ze had voor de chemokuren. Ze overleefde de kanker fysiek ternauwernood, mentaal is ze allang vertrokken.
We parkeren in de garage, stappen in de lift waar abuelo zichzelf van top tot teen in de spiegel bekijkt. Hij ziet er jong uit voor zijn leeftijd. Geen grijze haar te bekennen.
Is het weer zover? Hoe heet die slet?
Abuela Conchi roept het hard. Zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken draait abuelo zich naar de liftdeur.
Eerste verdieping. De deur opent en de hond komt happend op mij af. Abuela geeft hem een schop, hij vliegt tegen de kapstok. Het huis hangt vol herinneringen aan een ander Spanje. De kapstok is versierd met een schild en adelaar, door abuelo uit een boomstam gekerfd. De symbolen van de falange. Een portret van de caudillo en een foto van mij en mijn zusje naast elkaar in de hal van het appartement, beelden van katholieke heiligen, een kommetje wijwater. Abuela doopt haar duim en wijsvinger erin, slaat drie kruisjes op mijn gezicht en mijn beide schouders, waarna ik haar vingers moet kussen.
Mijn abuelos hebben alles aan Franco te danken. Zonder hem hadden ze niet eens kunnen lezen of schrijven. Tenminste, dat zeggen ze. De burgeroorlog noemen zij la guerra entre hermanos, de oorlog tussen broeders. Waar de roden fouten hadden gemaakt, hadden de blauwen dat ook. De Spaanse Burgeroorlog kende geen winnaars, al is de sterfdag van de caudillo nog altijd een dag van rouw in dit huis. In een hoek van de woonkamer staat een vlaggenstok met daaraan een polyester vlag met de adelaar in het midden. Daarnaast op een hoge bijzettafel een foto van mij als kind bij het graf van Franco. Elk jaar stopten we onderweg naar de sierra bij de Vallei van de Gevallenen, de plek waar de caudillo zijn mausoleum liet bouwen door tot slaaf gemaakte politieke gevangenen. Daar ligt hij, in een kathedraal gehouwen uit een berg met daarbovenop een kolossaal kruis, omringd door angstaanjagende reusachtige engelen. Elk jaar stond ik boven op zijn steen, keek ik in de lens. Lachen mocht niet. Eén keer voelde ik plas langs mijn blote benen lopen. De pelgrimage beperkt zich nu tot het gedwongen slaan van een kruisje vanuit de auto, het monument in de verte.
Abuelo pakt mijn rugzak.
Haal jouw deel er maar uit.
Zoveel was mijn deel niet. Een wiskundeboek van vorig jaar, het eerste deel van mijn boek voor Frans dat we al lang uit hebben, een paar volle schriften en mijn kleren. Mijn vader heeft in de verkeerde kast gekeken toen hij mijn spullen bij elkaar raapte. Ik plof neer op de bank. Abuela Conchi zet een glas water en een madeleine voor me neer.
De rits van de flap in mijn rugzak klinkt nog nieuw, stroef. Abuelo haalt er een grote ziplockzak uit met daarin pakjes met biljetten van honderd euro en pakjes met briefjes van vijf erbovenop, om minder op te vallen als ik op het vliegveld gepakt zou zijn. Ik had dan iets over spaargeld kunnen zeggen. Het zijn pakketjes bij elkaar gehouden met kantoorelastieken, in de vorm van een boek. De voordeur gaat open. Abuelo grijpt de zak en loopt ermee naar zijn slaapkamer.
Mijn oom, achtendertig, woont nog bij abuelo en abuela. Volgend jaar gaat hij trouwen en het huis uit. Telkens als iemand erover begint, barst abuela in huilen uit.
Ze heeft mijn zoon van me afgepakt, jammert ze dan. De hele dag, tot ze naar bed gaat. Mijn oom heeft in het leger gezeten en werkt nu als persoonsbeveiliger van rijke, bekende Spanjaarden. Hij gaat veel naar de sportschool. In zijn slaapkamer hangt een poster van Arnold Schwarzenegger. Hij komt met zijn armen wijdopen op mij af. Hij omhelst me en het voelt een paar seconden of ik geen adem meer kan halen. De spieren van zijn armen als stenen in mijn rug. Ik stel me voor dat gorilla’s zo knuffelen.
Kom je alleen even gedag zeggen en ga je daarna alweer weg? Je blijft maar kort toch?
Ik knik.
Ik moet maandag weer naar school. Ik moest van papa…
Abuelo stormt de woonkamer in, onderbreekt me.
Zeg, jou wil ik al een paar dagen spreken, maar de voordeur klapt open en dicht en je bent weer weg.
Hij staat briesend in de deuropening van de hal, wijst naar mijn oom.
Zou je niet eens mee gaan betalen aan de elektra? Met dat enorme aquarium van je. En dat douchen! Dat douchen moet ook een keer afgelopen zijn.
Mijn oom sport elke dag en doucht dus ook elke dag. Iets waarvan ik weet dat ik het tot maandag niet kan doen. Eens per week is de regel. Om kosten te besparen. Wat niet is uitgegeven, blijft in je portemonnee.
Ja hoor pa, zegt mijn oom. Weet je, geef me al die rekeningen maar. Ik betaal ze wel voor je.
Als hij eenmaal weet waar hij wat vandaan kan halen, knijpt hij je uit, jammert abuela, blijkbaar ook zijn bloedeigen zoon die aan het sparen is voor zijn bruiloft.
Abuelo schreeuwt onverstaanbare dingen over abuela heen, mijn oom doet mee en er ontstaat een mengeling van geluid die de kamer vult. Ik pak mijn boek en lees. Mijn ruggengraat voelt als een arm waar het prikkeldraadspel op wordt gedaan. De voordeur ramt dicht, abuela Conchi huilt en gaat naar de badkamer. Abuelo gaat heel langzaam zitten.
Morgen gaan we naar de bergen, zegt hij.
De volgende ochtend, de wekker gaat om zes uur. Een kwartier later zitten we in de auto. Geen tijd voor ontbijt. Ik stopte twee madeleines en een banaan in mijn tas. Los Ángeles de San Rafael, een dorpje in de Madrileense sierra, is anderhalf uur rijden. In een urbanización daar vlakbij, een soort gated community, hebben abuelo en abuela een paar jaar terug een stuk grond gekocht en een huis laten bouwen door het goedkoopste aannemersbedrijf. De onderverdieping van het huis is af, de bovenverdieping niet. Goedkoop bleek duurkoop. Mijn vader belooft al sinds het er staat dat hij het afmaakt. Het hout dat hij ervoor zou gebruiken stookt abuelo inmiddels op in de kachel.
Als we aankomen openen abuela Conchi en ik alle ramen. Het is nog koel. ’s Middags wordt het huis weer hermetisch afgesloten. Abuelo telefoneert, maakt een afspraak voor de dag erna, op zondag.
Sinds abuelo met de plastic zak naar de slaapkamer liep heb ik het geld niet meer gezien. Hij zei later dat het belangrijk was dat hij het geld zou beheren, als man. Abuelo heeft altijd meer om geld gegeven dan om mensen. Vlak na de verloving met Conchi vertrok hij naar Duitsland, om daar als gastarbeider zoveel geld te verdienen als hij kon. Een jaar later, rond kerst, kwam ze na een lange busreis aan in Duitsland. Op dezelfde dag stond een vrouw met een baby slapend op haar arm aan de deur. Abuela Conchi deed open, zwanger van mijn moeder. Van het kind van de Duitse hebben ze nooit meer iets gehoord, maar abuela herinnert abuelo er dagelijks aan.
De ochtenden in San Rafael zijn koud. Abuelo komt aanlopen met de ziplockzak. Hij is leger dan toen hij hem voor het eerst uit mijn tas haalde.
Kom, we gaan, zegt hij terwijl hij naar de auto loopt.
Nu al? vraag ik.
Ja, we hebben een afspraak.
Het is fris, we dragen beiden een zomerjas. Een paar dorpen verder, een kwartier rijden. Luiken en deuren van huizen zijn nog dicht. Abuelo draait de oprit op van de paardenman, net buiten het centrum. Een stenen omheining verbergt het grote stuk land dat bij het huis hoort. Gabriel Asunción. Cría de caballos staat er met handgeverfde letters op een afgebroken plank. Helly wil graag een paard en ik moet hem samen met abuelo afrekenen. De binnenplaats is dor, zanderig, de struiken uitgedroogd. De woning die er staat is klein, vervallen. Daarnaast een provisorische paardenbak, een betonnen gebouwtje met hoge ramen, drie groene stalen deuren en een grote schuur.
De paardenman komt naar buiten. Ineengedoken, zoals de meeste Spaanse dorpsmannen op leeftijd. Zijn stappen probeert hij kordaat te zetten, maar zijn bovenlijf beeft na iedere stap. Hij steekt zijn hand uit naar abuelo en stelt zich voor als Gabriel. Zwarte stompjes moeten tanden voorstellen. Hij draagt een wit t-shirt, rode zakdoek om zijn nek. De paar haren op zijn hoofd zijn lang en één kant op gekamd. Zijn broek vol gaten.
Waar is dat beest? Dan kunnen we het daarna hebben over de prijs.
Alles was rond, zei mijn vader tegen me. Alleen het geld geven. Mijn handen tintelen. De man loopt mopperend naar het betonnen blok met groene deuren. Het hangslot gaat van de deur en een groot, gespierd, wit paard komt recht op me af gelopen. Vlak voor me slaat de zweep van de paardenman in de grond. Het paard schrikt, springt op. De man pakt het touw dat om de hals van het paard hangt, rukt, het paard briest met opengesperde ogen.
Een piep in mijn oren. Rustig blijven. Zuchten. Nog een keer zuchten. Op de achtergrond hoor ik abuelo sjacheren met de paardenman.
Vijftienduizend voor een ongetemd paard? Doe je het ook voor dertienenhalf?
Ik loop naar het paard, tril, aai voorzichtig over zijn hoofd. Tussen de vacht op zijn neus striemen van opgedroogd bloed. Hij sluit zijn ogen, bijt op de plek van de smiley in mijn spijkerjas. Die scheurt.
Die Hollander heeft al veel van de prijs afgepraat. Aan de Guardia Civil verkoop ik ze voor zeventienenhalf, zegt de man.
Ik tik abuelo op zijn schouder, ik wil dat hij stopt.
Veertien dan? vraagt hij, terwijl hij mijn hand wegmept.
De paardenman twijfelt en steekt dan zijn hand uit naar abuelo. Ze schudden elkaars handen, houden ongemakkelijk lang vast. Abuelo overhandigt de zak zonder er iets uit te halen. Hij heeft het deel dat hij zichzelf heeft toegekend er al uit gehaald. Ik ga hierover niets tegen mijn vader zeggen. Er wordt gesproken over vervoer van het paard naar Nederland.
Over twee maanden moet hij uiterlijk vervoerd worden, roep ik.
De paardenman negeert me, kijkt naar abuelo.
Op de afgesproken datum heb ik hem klaar voor transport.
Abuelo knikt, duwt me aan mijn schouder richting de auto.
We rijden weg, ik zucht weer. Het geld is uit mijn tas, het paard komt naar Nederland. Ik heb gedaan wat mijn vader gevraagd heeft.
Als we thuiskomen kijkt abuela naar me, ze wappert kwaad met haar hand in de richting van de gescheurde smiley.
Dat beest heeft je jasje kapotgemaakt.
Ik kijk naar de smiley, die nog aan drie steken hangt.
Geef hier, ik maak hem voor je weer naar huis gaat. Ze zet het eten uit en loopt weg met mijn jas. Ik doe mijn schoenen uit en kruip in elkaar op de bank.
Als ik wakker word staat er een bord rijst met groente klaar. Abuelo en abuela slapen hun siësta, ik eet en lees. Op het kladblok dat ik hier vorige zomer heb achtergelaten maak ik aantekeningen voor mijn boekverslag, tussen de puzzelkrabbels van mijn moeder. Ik denk aan Mulisch en bewonder hem. Ik wil hem zijn. Ik wil onaardig kunnen zijn en respectloos. Mezelf de beste vinden, zonder me zorgen te hoeven maken over wat anderen vinden. Zonder buikpijn, die eeuwige buikpijn. Wat zou het mooi zijn om tegen mensen aan te trappen en later lachend naar mezelf in de spiegel te kunnen kijken. Ooit.
Die avond rijden we met z’n drieën terug naar Madrid. Donker, stil. De volgende ochtend word ik afgezet bij het vliegveld. Door abuelo, die zich bij de kiss-and-ride een parkeerkaart bespaart.
Vierentwintig uur later: in de klas. Alleen ik weet wat er is gebeurd. Hoe was jullie weekend? vraagt mijn docent. Ik krijg de beurt. Ik heb gelezen, zeg ik. Ik weet niet hóe mijn weekend was. Wat ik weet is dat er een paard komt dat ik heb gekocht met het geld uit de buidel op mijn lijf.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.