De slobberjeans vallen naar mijn enkels. Ik schop mijn cowboylaarzen een voor een uit. Mijn brede leren riem drijft van me weg. De rechterlaars stoot tegen de Atlantische Oceaan, precies tussen de benen van de twee continenten, en stuitert weg. Een kleine golf trekt over het blauwe landschap. Ze is nat. Ik leun op het witte hoedje van de wereld terwijl ik mijn enkels uit de handboeien van jean bevrijd. De kou trekt mijn vingers in. Ik glij mijn koude hand over haar ronde vorm en hang ‘m boven het warme zand te midden van haar lijf. Mijn andere hand streelt over het stugge katoen van mijn onderbroek. Ik kruip via een van de beengaten onder de stof door en voel dat, ook ik, de beginselen van natheid heb. Knoopje voor knoopje maak ik mijn blouse open terwijl ik wat afstand van haar neem. Kijk naar hoe ze langzaam en uitdagend voor me draait, haar hele lijf aan me toont. Mijn blouse hangt open. De littekens van het mes op mijn borstkas spieken achter de stof. Ze zijn niet verlegen. Er is een wolk boven haar gevormd. Ze giet bij het zien van mijn torso. Ik laat de blouse van mijn schouders vallen. Het ding zweeft weg. Overbodig. Ik waan me een hemellichaam.
Vouw mijn armen tot kleine beer, boogschutter, theepot. Langzaam zet ik mijn handen op het breedste deel van haar middel. Haar weelderige landschap kietelt onder mijn handpalmen. Mijn aanraking is teder.
Tot deze dat niet meer is. Ik knijp hard in zijn zij, het bloed trekt uit mijn vingertoppen en bijna sluiten mijn vuisten compleet als zijn huid tussen mijn huid het niet onmogelijk maakte. Ik trek de wereld met een stoot tegen mijn kruis. Hij kreunt. Ik duw de wereld weer van me af en trek hem weer, nu harder, tegen me aan. Hij kreunt weeral. Ik buig me over zijn kromme rug.
Dat vind je lekker hè?
Ja.
Ik duw hem weer van me af. Ik krab de korsten van zijn rug, dip mijn vingers in de slijm, lik het zout van zijn oksels, spuug op zijn branden, trek aan zijn straffe haar. Ik draai hem en til hem naar mijn gezicht tot ik oog in oog kom te staan met de witte talgpuist van het westen. Het miezerige gebouw is niet groter dan de kleinste tand in mijn mond. Ik pak het op met mijn tanden, voel schoten, ontploffingen in mijn mond, en bijt erop, slik het door, pulk de resten uit mijn kiezen en spuug ze tussen de sterren.
Vind je het nog steeds lekker?
Ja.
Kijk naar me.
Ik laat hem los. Langzaam trek ik mijn onderbroek naar beneden. Onder de stof komen zwarte leren riemen tevoorschijn. Het sterrenlicht weerkaatst op het zilver van de gespen. In de zilveren ring in het midden hangt mijn siliconen fallus. Lang en glimmend, knalrood en even lichaamsvreemd als eigen. Het opzetstuk dat de kers op mijn gendertaart is. Als staf, een toverstok.
Ben wel klaar met door jou geneukt worden.
Ik grijp zijn korte stugge haar en duw hem naar beneden. De wereld opent zijn mond en neemt mij in hem. Ik voel het, ik voel hem over mijn lengte slobberen, stikken, slijmen, likken. Met mijn vrije hand houd ik mijn harnas vast.
ik haat je.
Hij mompelt wat, niet in staat echt te antwoorden door zijn volle mond.
ik haat je.
Hij bevrijdt zich uit mijn greep, watervallen van speeksel druipen van zijn lippen.
neuk me dan.
We zweven verklonterd door de melkweg. Ik stotend, hij kreunend, een vieze perverse ster. Met elke stoot voel ik de woede, het onrecht uit me vloeien. Verdriet valt uit mijn ogen. Angst sijpelt uit mijn oksels. We zijn een natte klit. De felgekleurde staaf verdwijnt in hem. En uit hem. En in hem. En uit hem. Ik stoot hard en boos en harder. De meeste sterren sluiten hun ogen. De planeten kijken stiekem mee. De wereld schudt.
Vroeger kneep ik in mijn lakens. Bij het idee alleen al trok het bloed uit mijn knokkels. Ik oefende deze beweging voor de liefde, met de liefde. Ze liggen zo dicht bij elkaar. Zo dicht dat het me prima afgaat. Ik heb het warm, nee, ik kook van binnen. Vroeger kneep ik in mijn lakens, maar stof was niet genoeg om me te beschermen van de schoten die het dagelijks bestaan noemt. Ik groeide, groeide, brak uit mijn bed en groeide, ontgroeide de wereld tot ik niet meer uitgespuugd maar uitgestapt was. En ik had maar één stap nodig om te zien hoe klein hij eigenlijk is.
Ik voel de banden van mijn harnas in mijn huid snijden. Mijn huid vouwt zich om het leer. De wereld en ik ontkoppelen van elkaar. Blauw en beurs en bezweet zweeft hij van me weg. Hij zoekt mijn ogen, maar ik gun hem geen blik maar waardig.
Ik ben klaar met je.
Weet je dat zeker?
Ik wil je niet meer zien.
Waar ga je wonen dan?
Maakt me niet uit. Ik haat je.
Tot snel.
Hijgend laat ik mezelf achterover vallen in de atmosfeer. Meteorieten schrapen over mijn blote rug, snijden mijn vel open in hun voorbijgang. Ik voel de hitte sterker worden. Ik duw een ruimtestation uit zijn koers. Jullie kunnen niet eens voor de wereld die je hebt zorgen, denk ik. Ik voel aan mijn lul. Die is nog warm van de frictie van net. En nog nat. Het licht wordt feller. Verse druppeltjes zweet parelen op mijn voorhoofd. Zachtjes strijk ik mijn hand over de riemen van mijn harnas, voel of de slotjes nog stevig dicht zitten. Ze zuigt me naar haar toe. In mijn rechterooghoek begint het oranje licht mijn zicht over te nemen. Ik laat haar haar gang gaan. De wereld is ver als een verloren knikker in de bosjes van een vinexwijk waar alle kinderen allang ver van zijn wegverhuisd. Haar hitte trekt in het leer. Langzaam smelten we samen. Tot wat altijd al een geheel was.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.