papieren helden

FB

Scherp onscherp

Toen ze die ochtend als eerste de tent uit kwam viel de vrouw in de verte haar direct op. Ze was een heel eind het stof-en-boompjes-landschap in gelopen en stond met haar armen over elkaar geslagen van links naar rechts te kijken als een voetbalmoeder aan de zijlijn. Louise keek naar de grote camper. Op de picknicktafel waren de wandelschoenen weg.

Ze vergat de vrouw terwijl ze het pad afzocht naar Sims gelukssteen. Eenmaal terug kwam Jut de tent uit. Hij had dat kreukeltje bij zijn oog.

Wat doet die vrouw daar? vroeg hij.

Tijdens het ontbijt begon hij weer over haar verjaardag. Ze hadden dikke truien aan. De schaduw van de jumbo rock die het centrum van de campground vormde hield de nachtelijke kou vast zodat die maar langzaam uit hun botten trok.

Hij had de percolator op het barbecuerooster gezet en keek er hoopvol naar terwijl hij maisboterhammen met crunchy almond butter at. Hij stak haar er een toe, die ze niet aannam. Ze prikte met haar vork in een blikje gemengd fruit op lichte siroop.

Weet je al of je naar de Elvis-show wilt? vroeg hij.

En hij stond weer op om te checken of er al koffie omhoog was gekomen. Natuurlijk was er geen koffie omhoog gekomen. Er was gisteren geen koffie omhoog gekomen en eergisteren ook niet. Ook vandaag zou het blik canned heat het metaal van de percolator niet genoeg verhitten om het water aan de kook te brengen. En toch bleef haar vriend het proberen. Volgens hem waren er variabelen in het spel. Zij zag weinig variabelen in Joshua Tree. ’s Nachts was het koud, overdag was het warm. De droogte tastte haar lenzen aan en de cicade tsjirpte. Zo ging het al drie dagen. De enige variabele op dit moment, was de buurvrouw.

En wil je naar het casino?

Volgens hun vorige planning zouden ze nu al in Las Vegas zijn en daarna haar verjaardag ergens anders vieren. Maar omdat zij het ondanks alle ongemakken zo aangenaam vond in Joshua Tree, hadden ze hun verblijf hier met twee nachten verlengd. Ze zou drieëndertig worden in ‘Sin City’.

Mits we driehonderd dollar inleggen, zei ze.

Met dertig dollar gokken is ook leuk, zei Jut net als de vorige keer. Zelfde ervaring. Maar dan met minder geld.

Hij was op de centen. Zij niet. Toch zag ze het maar half voor zich: zij in een casino. Ze zou er leuk bij zitten, in haar plisséjurk en met een dry martini in de hand, dat wel. Maar dat gokgebeuren trok haar niet.

Jut begon door het parkfoldertje te bladeren. Het zonlicht waar de Cube inmiddels in baadde bereikte nu ook zijn voorhoofd en zette koers naar zijn heen en weer schietende ogen. Hijzelf vond zijn ogen bruin, wat ze niet waren. Ze hadden de kleur van Friese slootjes in de herfst. Als ze het haar moeder vroeg, zou die zeggen niks te geven om de kleur van iemands ogen maar om wat eruit sprak en tot een conclusie komen in de trant van: die zit ontzettend aan zijn binnenkant. Of: hij moet meer peulvruchten eten. Louise had het Celia ooit gevraagd, die had gekeken en vastgesteld dat als Jut zelf vond dat ze bruin waren, ze bruin waren. Bijzonder irritant als ze dat soort dingen zei.

Tussen het bladeren door keek Jut naar de buurvrouw. Zijn pupillen werden dan zo klein dat ze bijna verdwenen.

Misschien doet ze aan mindfulness, zei hij.

De zon bereikte zijn voorzichtige mond, die ze voor het eerst had gekust nadat hij haar moeders huis brandveilig had gemaakt.

Celia zei een keer dat ze haar neusschotje overhad voor een vriend als Jut. Ze ging toen al twee jaar met Poeh, de geoconsultant met eelt op zijn handen die Jim heette maar vaak poeh-poeh zei en daarom Poeh werd genoemd. Die wanneer Celia eindelijk een zaterdag vrij had precies die dag straten ging maken – niet om haar te sarren of te ontlopen, maar omdat zijn hart sinds zijn vijftiende daar lag, bij het straten. Poeh zei soms ‘vrouw’ tegen Celia om haar te pesten en dat werkte, iets te goed, want het maakte haar furieus. Ik ben een vrouw inderdaad, brieste ze dan tegen Louise. So what? Ik ben een vrouw, maar hij zegt het zo denigrerend – ik heb hem gezegd dat ik het uitmaak als hij dat nog één keer zegt, daar hou ik me aan, echt waar. En dan moest ze huilen omdat het idee van Poeh kwijt zijn erger was dan het idee dat ze haar hele leven steeds weer boos op hem zou moeten worden.

Het was ontegenzeggelijk een goed stel. Ze mishandelden elkaar licht. Poeh legde soms zijn hand in Celia’s nek en dan kneep hij net te hard zodat ze ineenkromp, maar dan speelde er vervolgens een tevreden lachje om haar mond. Poeh kon net zo naar zijn vriendin kijken als Jut naar haar, alleen dan met een flakkering van kwaadaardigheid, alsof ze niet moest denken dat ze alles kon flikken. Celia had eens verteld dat ze hem geslagen had. Tják, met een vlakke hand in zijn gezicht. Dat was volgens haar op onvoorstelbare seks uitgelopen.

Het is doodvermoeiend om met Poeh samen te zijn hoor, had Celia haar verzekerd. Verbeeld je maar niks. Je kunt beter iemand hebben als Jut, dan ben je aan het eind van de dag niet zo moe. En Jut is trouwens een stuk knapper dan Poeh, een stuk liever, en hij heeft zachte handen.

Dat laatste had Celia gemerkt toen hij haar van een stoel af had geholpen na het ophangen van iets.

Ze had trots gevoeld. Dat is waar, had ze gezegd. Jut is heel knap, heel lief, en z’n handen zijn heel zacht.

Dit is hoofdstuk 11 op bladzijde 52 uit de debuutroman Scherp onscherp van Fenna Riethof die op 26 februari 2026 verschijnt bij Ambo Anthos Uitgevers.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Fenna Riethof