Brief eenentwintig: Mijn lichaam is als een egel die naar binnen groeit
De tijd wordt korter, Lamar, de tijd drukt op ons. In het ziekenhuis blijft iedereen maar praten over een gedwongen evacuatie, en de vraag die op elke verdieping weerklinkt is: ‘Waar moeten we heen?’ Duizenden mensen hier stellen dezelfde vraag. Sommigen vinden het antwoord bij familieleden, kennissen of vrienden die hen in een ander oord opwachten – ik had eerst per ongeluk ‘moord’ geschreven – maar de meeste mensen vinden geen antwoord op deze vraag. Je nicht Fatena, die naar mij werd genoemd, komt elke paar minuten naar me toe om dezelfde vraag te stellen. Haar ongerustheid maakt me nerveus en overstuur, hoewel het begrijpelijk en logisch is, en toch blijft mijn antwoord steeds hetzelfde: ‘Morgen zullen we weten wat te doen en welke beslissingen te nemen. Laat ons nu stevig in onze schoenen blijven staan, zodat die ons tot morgen kunnen dragen.’ Terwijl ze me aankeek, leken haar ogen op de wijzer van een klok die verstoord was geraakt en maar bleef ronddraaien. Haar blik bleef nergens op rusten, en ze bleef dezelfde vraag herhalen, terwijl er zich allerlei doemscenario’s in haar hoofd afspeelden. In tijden als deze kan je verstand je beste vriend zijn, of je vijand die je naar de rand van een afgrond trekt, om er dan te ontdekken dat de bodem van de afgrond slechts stof is en dat je maar blijft vallen.
Misschien was het voor haar makkelijker om zich gewoon over te geven aan de bezorgdheid. Onze harten begaven het bijna als we eraan dachten dat ons hetzelfde kon overkomen als de vluchtelingen in het Al-Ahli Arab-ziekenhuis. Tegelijk hadden we nu ook meer hoop – hoe ironisch – dat de wereld eindelijk zou ingrijpen. Dit was immers zo’n flagrante schending van alle oorlogsconventies dat dit niet genegeerd kon worden. De wereld zou zeker in actie komen na dit bloedbad, want het Al-Ahli Arab-ziekenhuis, dat ook het Baptistenziekenhuis genoemd werd, hoewel het gerund werd door de Anglicaanse Kerk, symboliseert het christendom. Het kon niet anders dan dat er een daadkrachtige reactie zou komen om al dat doden te stoppen, maar de wereld deed niets anders dan de Israëlische propaganda geloven, die beweerde dat wij de schuldigen waren. We hoopten dat de christelijke wereld zou ingrijpen om een einde te maken aan de vernietiging, zoals ze altijd doen als er geweld is tegen christenen in een Arabisch land, vooral na het nieuws dat de Grieks-Orthodoxe Sint-Porphyrius-kerk gebombardeerd was en veel van onze christelijke broeders waren omgekomen. Maar de wereld, Lamar, deed nog steeds niets. We konden niet begrijpen waarom de christelijke wereld niet in actie kwam om de mensen die zij ‘hun broeders’ noemt te redden. Daarna hoorden we over de bommen op het Cultureel Centrum van de Grieks-Orthodoxe Kerk, en ook over de aanval op de zusterschool van de Heilige Rozenkrans dicht bij ons huis in Tel Al-Hawa. Op dat moment begrepen we, Lamar, dat Palestijnen anders worden geclassificeerd dan de rest van de volkeren en dat het geen zin heeft om ons te blijven vastklampen aan hoop die door de ratten wordt opgegeten en daarna weer uitgekakt. Angst spreidde weer zijn vleugels en nestelde zich op alle gezichten en in ieders hart. We stonden en staan er alleen voor.
Fatena zit nog steeds voor me. Ze blijft me alle redenen voor haar angst opnoemen en vragen stellen zonder ook maar even adem te halen om naar mijn antwoorden te luisteren. Ik denk dat ze haar angst uit omdat ze behoefte heeft om haar hart te luchten, meer dan dat ze antwoorden wil vinden. Daarom zei ik je dat het voor haar gemakkelijker was om zich zorgen te maken, omdat angst logischer lijkt en geen inspanningen vereist. Je moet je alleen maar laten leiden door je gevoelens die trillen bij elke explosie, en je hart dat heviger klopt dan het geluid van de bommen. Het vergt veel oefening en geloof om je evenwicht te bewaren terwijl je op een grond staat die geen evenwicht kent, een grond die voelt alsof er een aardbeving plaatsvindt. Gisteren, Lamar, heb ik een nieuw type raket ervaren dat ze ‘thermobarische raketten’ of ‘vacuümbommen’ noemen. Ze zeggen dat het geen nucleaire bommen zijn, maar ze hebben een enorme vernietigende kracht omdat ze zuurstof aan de lucht onttrekken om een verschroeiend hete explosie te genereren. Zo’n raket brengt een explosiegolf op gang die doorgaans veel langer duurt dan die van conventionele explosieven. Ik kan niet, ook al zou ik het proberen, volledig beschrijven hoe ik me voelde toen die bom viel. Ik weet alleen dat er plots scherpe naalden in elke porie van mijn lichaam schoten, mijn hele lichaam was bedekt met naalden, alsof ik een egel was geworden waarvan de helft van de naalden naar buiten gericht was en de andere helft naar binnen stak. Het geluid van de bom was niet dat van een sissende slang of van golfplaten die uit de lucht vielen zoals bij de andere raketten. Het leek meer op het geluid van een enorme wasmachine waarin wij de oude lompen waren die met geweld werden rondgedraaid. Het hele gebouw trilde aan alle kanten. Het was alsof een megastofzuiger alle lucht uit je longen wegzoog en je adem enkele seconden – die een eeuwigheid leken – vasthield vooraleer de zuurstof terug in je longen werd gestoten. Zo voelt dus de apocalyps.
Heb ik je verteld over de veilige kamer die ik eindelijk vond na drie weken in het ziekenhuis? Het is die opslagruimte, ja. Alle geluiden vervagen daar, of worden zelfs zo stil dat ik bijna vergeet waar ik ben. Ik trek me daar terug en lees enkele pagina’s uit de roman van Vargas Llosa, als het me lukt om me daarop te concentreren, of ik kijk, met mijn oortjes in, op mijn laptop naar een film die ik al twintig keer gezien heb. Het was op zo’n moment van achteloosheid dat plots de deur van de opslagplaats met geweld openging en er gewonde vrouwen binnenstormden, elk een been in een spalk meeslepend. De bommen vielen deze keer dicht bij de patiëntenkamers die op de straat uitkeken en waarin voornamelijk overlevenden van andere bombardementen verbleven. Ik deed mijn oortjes uit en werd overspoeld door luid geschreeuw. Vanuit de opslagruimte zag ik mensen door de gang rennen. Ze propten zich samen in de hoeken om zo ver mogelijk weg te zijn van elke open plek waar de dood doorheen kon jagen. Taghreed liet twee meisjes binnen die een jongetje van amper enkele jaren oud droegen.
De jongen had een bombardement overleefd dat zijn huis in een hoop stenen had veranderd, en zijn gezicht in een landkaart met hechtingen in plaats van wegen. De hechtingen liepen van zijn wenkbrauw over het midden van zijn oog, waardoor dat gesloten was, en dan verder over zijn wang waar de snee zich in twee vertakte. De gehechte wond keerde vervolgens van onder het jukbeen terug naar het voorhoofd, met in het midden een gat alsof daar een kogel was ingeslagen maar weer was teruggekaatst zonder een weg naar binnen te vinden. Eén arm was gespalkt aan de elleboog en in zijn tweede oog bespeurde ik een open blik, starend naar de wereld. Ik vroeg hem hoe hij heette en met een verlegen en hartverscheurende glimlach antwoordde hij: ‘Abdelaziz.’
Nog voordat ik hem kon vragen wat er met hem was gebeurd, zei hij al: ‘Ze hebben mijn buik opengesneden en mijn darmen eruit gehaald.’ Hij vertelde me dat hij samen met zijn zus van onder het puin was gered en dat hij dokter zou worden als hij groot was. Terwijl hij met me praatte, bleef zijn verlegen glimlach zijn mooie gezicht sieren. Ik vroeg of ik een foto van hem mocht maken. Eerst was hij verlegen, maar even later knikte hij, dus nam ik enkele foto’s. Dat lijmde mijn gebroken hart enigszins, omdat de foto’s een nog bredere glimlach op zijn gezicht toverden toen hij ze zag. Ik zei hem hoe mooi hij was. Hij keek me aan zonder antwoord te geven. De meisjes gingen terug naar hun kamer en Abdelaziz ging met hen mee, terwijl ik maar bleef denken aan de kaart die op zijn gezicht was gegraveerd en de glimlach die de lijnen van zijn gezicht verlengde. Ik vraag me af wat overleven hier betekent. Hoe zal Abdelaziz overleven met dat gezicht? Dat gezicht dat hij elke dag in de spiegel zal zien om hem te herinneren aan wat hem is overkomen. De gewonden keerden terug naar hun kamers toen de bombardementen zich iets verder van het ziekenhuis verplaatsten, en ik ging terug naar mijn schuilplaats, in gedachten verzonken, zittend in kleermakerszit en met mijn oortjes in. Ik luisterde naar een liedje. Ik kan me nu niet meer herinneren welk liedje, maar ik weet zeker dat het een nummer was om op te dansen, zoals alles om me heen danste.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.