De Gloeiende Man, En Wat Hij Volgens Mij Betekent Voor De Mensheid
Geachte mevrouw Moens,
Graag breng ik volgende vondst bij u onder de aandacht. Het gaat om een vreemd document dat ik in vader zaligers bibliotheek aantrof, slordig weggepropt achter een rij werken van Henry James.
Tussen de kartonnen dozen en vuilniszakken heb ik de tekst daar één keer vluchtig doorgenomen, en toen meteen veilig in mijn aktetas opgeborgen. Sindsdien zijn deze pagina’s nog vele malen door mijn handen gegaan; ze laten me nauwelijks los. Wat erop geschreven staat fascineert en prikkelt, en toont haast per ongeluk een geheel andere kant van vaders persoonlijkheid. Ja, zelfs voor mensen zoals ik, die hem goed kenden.
Ik neem de tekst hier integraal voor u over. Het heet ‘De Gloeiende Man, En Wat Hij Volgens Mij Betekent Voor De Mensheid’. Ik ben erg benieuwd wat u ervan vindt.
(Aan mijn zussen, die op dat moment bezig waren met het leegmaken van de zolder, heb ik niks getoond. We weten allebei hoe zij denken over mijn omgang met u. Me dunkt dat hoe steviger ze overal buiten worden gehouden, hoe beter.)
--
Nog voor je hem ziet, nog voor je hem hoort, weten je neusgaten al dat hij in aantocht is. Hygiëne en De Gloeiende Man kennen elkaar niet: zijn haar klit aaneen in pieken, zijn baard is een wild kluwen, zijn kleren zijn lompen. Wat er nog van zijn gezicht te zien valt, zit onder de rode en blauwe spataderen. Hij sleurt continu meerdere zakken met zich mee, de meeste louter gevuld met andere zakken.
Zijn afschuwelijke stank kan ik maar moeilijk omschrijven, behalve misschien op de volgende manier: ik heb mijn gezin ooit eens op een reisje Canada getrakteerd – een lafhartige, ontoereikende poging hen te belonen voor hun engelengeduld met mijn naar eindeloosheid neigende werkuren in het universiteitslabo – waar we op een gegeven moment per boot aan een zogeheten ‘wildlife tour’ deelnamen. Ergens halverwege de trip passeerden we toen een rots waar enkele zeeleeuwen lagen te dutten in de middagzon. De vettige, vloeibare stank van die beesten komt nog het dichtste in de buurt bij de geur van De Man.
Maar dan zijn ogen! Die zijn van het puurste witblauw, permanent betraand. Ze staren afwezig naar een punt ver voorbij de horizon, ver voorbij de verte.
Dag en nacht doorkruist De Man dit deel van de stad. Een van zijn favoriete plekken lijkt het deels overdekte steegje aan de overkant van de straat, waar hij vrij vaak schuilt voor nacht en regen en waar hij graag in de afvalcontainers snuistert. Vanuit het grote raam in mijn woonkamer kijk ik rechtstreeks dat steegje binnen.
Na een eerste, schandelijke periode, waarin ik mijn nieuwe overbuur vooral met walging bekeek, niet als een mens, begon ik al snel medelijden te krijgen. Gezeten in mijn luie stoel bij dat grote raam, vroeg ik me dan af waarom ik mijn oude, eenzame dag in een warme kamerjas bij de open haard doorbracht, terwijl hij dezelfde levensfase in natte straten moest trotseren, op versleten schoenen. Tijdens melancholische buien kon ik daar een heel eind over wegmijmeren. Maar ik hoefde slechts mijn blik van het steegje naar het tv-scherm voor mijn neus te verleggen, of ik vergat De Man alweer.
Dat veranderde later pas. Toen ik hem eenmaal in het donker zag oplichten alsof er lampen onder zijn huid zaten. Daar begon het.
Ik moet die avond voor tv in slaap zijn gesukkeld. Toen ik een paar uur later met een schok en een vlammende pijn in mijn onderrug ontwaakte, zorgde De Man samen met de straatlantaarns voor de enige lichtbron in de bodemloze nacht. Gezeten aan de ingang van het steegje, met zijn rug tegen de koude bakstenen, liet hij zijn armen om de beurt oplichten en weer uitdoven, en daarna zijn benen, en daarna opnieuw zijn armen, enzovoort. Het leek voor hem net een hersenloos spelletje om de tijd te verdrijven.
Plotseling verstarde zijn lichaam, en draaide zijn hoofd langzaam mijn richting uit. Ik had de tv toen al uitgezet, stond daar in complete duisternis, maar toch vonden zijn bergstroomblauwe ogen moeiteloos de mijne. Hij doofde zijn lichten, die wit als tl-buizen waren geweest, en verdween in de steeg.
Slechts met veel moeite wist ik me naar mijn slaapkamer te sleuren, weg van het raam, en dat niet alleen omwille van de pijn. Net zoals jij nu waarschijnlijk doet, beste lezer, dacht ik ook dat ik droomde, of misschien zelfs een paar forse stappen richting seniliteit had gezet. Het was als op een ochtend een draaikolk in je haag aantreffen. Ik beging de meest menselijke fout: omdat het beeld niet paste bij de werkelijkheid zoals ik die kende, hield ik mezelf voor dat het aan mij lag.
Alleen, het lag niet aan mij. Het was echt. Alles wat ik je hier ga vertellen, is allemaal echt.
De volgende dag kwam De Man niet naar het steegje, de dag nadien evenmin. Op de derde dag besloot ik me daarom de stad in te wagen, hopend hem daar ergens aan te treffen. Had ik gedroomd of niet? Ik wilde zekerheid. En een wandeling zou me sowieso goed doen, redeneerde ik, aangezien ik op dat moment al een paar weken bijna niet buiten was geweest, en vrijwel niemand had gesproken.
Nergens vond ik die dag enig spoor van De Man. Tot ik bij valavond gefrustreerd en doodop naar huis terugkeerde. Daar stond hij gewoon, in het steegje, de binnenkant van de vuilniscontainer te bestuderen.
Ook toen kreeg ik hem maar kort te zien. Hij hield al snel op met wroeten – overigens zonder iets in zijn zakken te steken – en verdween in het ijle, van het ene op het andere moment.
Even dacht ik dat ik doodging, dat de realiteit voor mijn ogen uit elkaar brokkelde. Het ging absoluut niet zoals het in films of boeken doorgaans wordt voorgesteld. Hij loste niet op in de omgeving, veroorzaakte geen knal of sliertjes rook, niks van dit alles. Ik zweer je dat hij plots niet meer was waar hij een fractie van een seconde eerder nog had gestaan. Dat zweer ik op het graf van mijn vrouw.
Mijn obsessie met De Man begon hier, op de drempel van het onbekende. Ik ben een nieuwsgierig persoon, altijd al geweest. Ik kan er niet tegen niet te begrijpen. Het is de reden dat ik mijn hele leven zo compleet aan de wetenschap heb gegeven, ten koste van al het andere rondom mij. Doodmoe ging ik op pensioen, met een kast vol prijzen maar het gevoel slechts een vingerhoedje verklaringen te hebben gedistilleerd uit een berg mysteries. Het raadsel van de Gloeiende Man in kaart brengen, misschien zelfs oplossen: het kon wel eens mijn laatste kans zijn om iets wezenlijks bij te dragen aan de wereld, aan het ontsluiten van diens mystiekste geheimen. Het deed mijn hart weer ontvlammen zoals vroeger.
Ik besloot deze paria, waar ik in normale omstandigheden in een grote boog omheen zou lopen, tot het onderwerp te maken van mijn nieuwste, mogelijk laatste, meest fascinerende, minst begrepen studie.
Wist ik toen al hoe diep ik zou moeten gaan, hoe ver voorbij de grenzen van het verklaarbare ik hem zou gaan volgen? Hoe bevrijd ik me dankzij hem zou voelen, en hoe eenzaam? Natuurlijk niet.
Ik hoop dat je blijft lezen. Ik hoop dat je me de kans geeft mijn onderzoek aan je voor te leggen en mijn gedachtegang uiteen te zetten, hoe seniel ik op dit moment ook mag klinken. Ik ben hier jaren mee bezig geweest. Jaren waarin ik vaak net zo twijfelde aan mijn eigen verstand als jij op dit moment wellicht doet. Maar ik denk dat ik, terwijl ik dit schrijf, al mijn knikkers nog in de pot heb zitten. Meer kan ik je op dit moment niet bieden, vrees ik. Het meeste van wat ik hier allemaal poneer, laat zich niet zomaar in een lab bewijzen.
Ik wil mijn onderzoek graag samenballen tot enkele korte schetsen, die mijn argumenten hopelijk de nodige kracht zullen verlenen. Ik wens dat deze tekst pas na mijn dood gepubliceerd wordt, mocht ze bij hoog toeval al eerder gevonden worden: ik ben te oud, verwend en verwaand om eventuele reputatieschade bewust mee te maken.
Schets #1: mijn gesprek met De Gloeiende Man
Mijn eerste pogingen om contact te maken met De Man waren achteraf gezien lachwekkend naïef en slordig. Maar onthoud dat ik op dit punt nog niet wist met welke krachten ik solde. Het plan was op dat moment simpelweg om een eenzame zwerver te leren kennen, en uit zijn mond te horen wat aan de basis lag van zijn bijzondere vaardigheden.
Dus installeerde ik me in mijn zithoek voor het woonkamerraam, dat ik ondanks het gure novemberweer op een kier zette. Van zodra hij in de buurt was, wilde ik dat ruiken.
Het duurde opnieuw een paar dagen, maar uiteindelijk keerde De Man naar het steegje terug. Een beetje zenuwachtig begaf ik me naar buiten, samen met enkele cadeaus waarvan ik dacht dat hij ze absoluut zou aannemen: handschoenen, truien, een wollen muts.
Hij wees alles af. Ik bleef aandringen en probeerde mezelf ondertussen hakkelend voor te stellen, maar hij wilde nergens van weten en duwde mijn handen steeds paniekeriger van zich weg. Zijn stem, krakend als verroest staal in een taal die ik niet herkende, kreeg mijn nekharen moeiteloos overeind.
Ik droop snel weer af, van mijn stuk gebracht door de onverwachte afwijzing en zijn walgelijke figuur. Ik zou later wel een betere manier vinden om hem te benaderen, dacht ik.
Maar terwijl ik de straat overstak voelde ik zijn ogen achterdochtig in mijn nek branden. Tegelijkertijd maakte de luchtdruk een snoekduik en sloeg vanuit het niets ergens heel dichtbij de bliksem in.
Ik bereikte mijn voordeur nog net op tijd. De rest van de dag, avond én nacht overstroomden de goten, schoten bulderende lichtflitsen door de hemel, en waaiden de vuilnisbakken door de straten. Vanuit mijn trouwe plekje bij het raam bleef ik tegen beter weten in het steegje in de gaten houden, waar ik af en toe lichtjes in de vorm van ledematen zag twinkelen.
De storm ging niet liggen en uiteindelijk viel ik opnieuw al zittend in slaap. Ik ontwaakte bij de aanblik van een lege steeg. Alleen zijn geur bleef over, altijd weer die geur.
Ik had mijn gesprek met De Man gelukkig opgenomen op het bandrecordertje dat ik vroeger altijd gebruikte wanneer ik mijn razende gedachten met geen pen kon bijhouden. Toen ik de opname door de computer haalde stond ik opnieuw perplex. Wat hij tegen mij gesproken had bleek Soemerisch te zijn, een taal die al zo lang dood is dat geschiedkundigen ze alleen kennen van geschreven bronnen uit het derde millennium voor onze jaarrekening, en niet meer kunnen achterhalen hoe het geklonken moet hebben. Ieder bot in mijn lijf leek plots vijf kilo zwaarder te worden. Hoe had hij zich zo vloeiend kunnen uitdrukken in een taal die al zo’n vijfduizend jaar niet meer gebruikt wordt?
Het duurde veel langer dan gebruikelijk, maar uiteindelijk keerde De Man naar het steegje terug. Hij nam nu wel zijn voorzorgsmaatregelen: telkens als hij merkte dat ik naar hem keek, werden alle wolken aan de hemel zwart, en stak de wind ijskoud op. Daarna verdween hij gewoon.
Ik begreep de hint.
Schets #2: het hol van De Gloeiende Man
Pas na veel moeite en stormweer slaagde ik er uiteindelijk in het hol van De Man te lokaliseren. Het betrof een verrot vogelkijkhuis in het bos vlak buiten de stadsrand, zo te zien in vergetelheid geraakt nadat men op een gegeven moment de loop van het wandelpad verlegd had.
Het ding was zo lek als een zeef en gaf amper beschutting tegen de elementen, maar je kreeg er wel gevoel de laatste persoon op aarde te zijn. Iets wat waarschijnlijk diens aantrekkingskracht op De Man verklaart, en waarom hij het vaakst naar dit plekje terug leek te grijpen.
Het duurde nog een aantal maanden voordat ik de bouwval ook daadwerkelijk betrad. Ik wilde mijn veldstudie koste wat kost in één keer afronden, bang als ik was dat De Man ook hier een tweede poging onmogelijk zou maken. Pas toen ik meende iets van een vast patroon in het gedrag van mijn subject te zien – het was een bijzonder complexe, niet gebonden aan uren in een dag en dagen in een week - voelde ik me veilig genoeg.
Heb ik doorheen mijn onderzoek ooit iets meteen juist aangepakt? Ik zou zeggen van niet.
Ik was er rotsvast van overtuigd dat De Man op dat punt van de dag (vroege ochtend), op die dag van de week (donderdag), in die week van de maand (de derde van december), meestal door de vuilnisbakken in mijn straat snuisterde. Ik zou ruim voldoende tijd hebben om iedere vierkante centimeter van het hutje op mijn gemak te bestuderen, dacht ik.
Het liep anders. Ik had mijn vaste schuilplaats achter de oude eik op enkele meters van het hutje nog maar net verlaten, of ik hoorde alweer takjes kraken onder zware, trage voeten. Ik spurtte terug terwijl angst als bloed door mijn lijf werd gepompt. In mijn berekeningen zat ergens nog een schroefje los. Want daar kwam op zijn dooie gemak De Man alweer op het hutje af, terwijl zijn zakken een ritselend spoor door de bladeren trokken.
Ik bleef de rest van de dag wachten, in de hoop dat hij op een gegeven moment weer naar buiten zou komen sloffen en ik het rijk alsnog voor mij alleen zou krijgen. Gigantisch was mijn verbazing toen hij bij valavond plots opnieuw van tussen de bomen verscheen om de nacht in het hutje door te brengen.
Ik zweer je dat ik hem nooit heb zien vertrekken.
De longontsteking die ik aan deze eerste poging overhield, bond me wekenlang aan mijn bed vast. Zelfs mijn kinderen kwamen langs, ervan overtuigd dat mijn tijd erop zat. Het was de eerste kerst in jaren die we samen doorbrachten.
Maar ik krabbelde weer naar de oppervlakte. Iets hebben om voor te leven is vaak het beste medicijn.
Het hutje betreden bleek voornamelijk een kwestie van durf. Ik probeerde opnieuw, iets meer dan een half jaar na mijn eerste poging. De gure winter was een stralende zomer geworden, op ieder blad van iedere boom ruste loom het zonlicht. Overal wandelden nu ouders met kinderen, baasjes met honden. Alleen in het deel van het bos waar het hol van De Man zich bevond, hing een onverklaarbare kilte.
Ik kwam tot aan de drempel, ademde een paar keer diep in en uit, en gaf mijn angsten uit handen.
Het voelde geweldig.
Ik stapte naar binnen. Verrot hout kraakte vals onder mijn schoenzolen en het puntje van mijn wandelstok. Ik trof een kamer aan die bijna volledig met zakken bezaaid was, en stonk als duizend zeeleeuwen.
Hoe meer zakken ik bestudeerde, hoe meer het me voor mijn ogen duizelde. In eentje zat een oud-Egyptisch doodsmasker, in een ander allemaal middeleeuws ogende kledij, in een derde trof ik een samoeraizwaard aan. Andere waren gevuld met kelken en munten, sommige gloednieuw ogend, anderen compleet doorroest. Een heleboel voorwerpen kon ik niet eens thuisbrengen, zo exotisch en bizar kwamen ze mij over. Ik nam met trillende handen zoveel mogelijk foto’s en maakte toen dat ik wegkwam.
Wat deden zulke waardevolle kunstschatten in dat hutje, tussen de houtwormen en vogeluitwerpselen?
Die nacht kon ik opnieuw niet slapen. Mijn hart bleef maar bonken tot tegen mijn verhemelte. Ik voelde me verloren: het laatste waarvoor ik dacht nog te deugen, steeg me steeds verder boven het hoofd. Ik had gewoon willen onderzoeken waarom de dakloze tegenover mijn woonkamerraam een lichtschakelaar in zijn lichaam had. En iedere keer ontdekte ik nieuwe lagen, de ene nog fascinerender dan de andere. Ik wilde dolgraag verder, maar kon mijn onderzoek niet langer alleen aan. Tegelijkertijd besefte ik maar al te goed dat met ieder nieuw aspect van De Man dat ik in kaart had gebracht, mijn kansen om geloofd te worden verder waren geslonken.
Maar deze keer was ik met duidelijk bewijs teruggekeerd, hield ik mezelf voor. De foto’s zouden genoeg zijn om ten minste het hutje van De Man aan een serieus onderzoek te onderwerpen. Zo zou ik de bal misschien aan het rollen krijgen.
Maar wilde ik dat wel? De Man vond het al vreselijk dat één enkele oude sok achter hem aanzat. Hoe gevaarlijk kon hij worden wanneer hij zich door een heel team aan wetenschappers, archeologen en politiemensen in zijn bestaan bedreigd zag?
Zo bleef ik nog vele nachten lang twijfelen en tuimelen, eenzaam als de laatste mammoet.
Schets #3: waar ik 9 februari jongstleden getuige van was
In de periode voorafgaand aan bovengenoemde datum maakte een vreselijke nervositeit zich van mij meester. Mijn onderzoek zat muurvast. Er was weinig dat ik nog alleen kon doen, tegelijkertijd was er niemand om in vertrouwen te nemen. Met de moed der wanhoop probeerde ik via het internet op zoek te gaan naar gelijkgestemden, maar de pagina’s waarop ik terechtkwam leken vooral vol te zitten met onbetrouwbare fantasten. Het maakte me alleen maar geagiteerder. De frustratie was als een vuurbal die door mijn binnenste stuiterde en op de meest willekeurige momenten opflakkerde en weer uitdoofde. Het moet op den duur al mijn gezond verstand in as hebben gelegd.
Ik kwam namelijk tot het besef dat er voor mij nog maar één ding opzat: een nieuwe poging wagen het vertrouwen van De Man te winnen. Als ik hem maar kon tonen dat hij met mij eindelijk een vriend gevonden had, redeneerde ik, dan pas zou het mogelijk worden zijn vele geheimen te ontsluiten, misschien zelfs aan de wereld te tonen. In gedachten werd ik een 21ste-eeuwse variant op dokter Frederick Treves, met een eigen Elephant Man om me naar de top te katapulteren, net op het moment dat dat niet meer mogelijk leek. Mijn angst voor De Man verdween bijna volledig. Want wat had ik eigenlijk nog te verliezen, herhaalde ik vaak aan mezelf.
Nu ik een half jaar later terugkijk op mijn gedrag van toen, dan denk ik alleen maar, was het nu zo moeilijk om toe te geven dat sommige gevechten niet te winnen zijn?
In de plaats concludeerde ik dat mijn vorige poging faliekant mislukte omdat ik te veel in één keer had willen doen. Ik besloot het dit keer rustiger aan te pakken, alles stapje voor stapje, zodat er op termijn iets van een band kon ontstaan tussen dit wezen en mijzelf. Ik zou daarom opnieuw beginnen met een cadeau, maar dit keer zou ik het gewoon kalm aan zijn voeten leggen. Ik zou mezelf vervolgens kort voorstellen, me omdraaien, weglopen en hem een poosje met rust laten, zodat hij aan me kon wennen. Dit ritueel zou ik herhalen zo vaak als nodig was.
Dan zouden we klaar zijn voor fase twee. En wat fase twee precies inhield, dat zag ik dan wel weer. In mijn hoofd zag ik vage contouren van een openhartig gesprek bij de open haard, terwijl buiten de storm zou overgaan in regen, motregen, en ten slotte slechts wat wind.
Op die noodlottige 9de februari besloot ik dat de tijd rijp was. Met een nerveuze glimlach op mijn gezicht en een warme sjaal in mijn gestrekte armen, stak ik de straat over richting het steegje, me niks aantrekkend van de zienderogen dalende luchtdruk. Met een kleine buiging plaatste ik de sjaal aan zijn voeten, waarbij ik voor het eerst oogcontact durfde maken. Helderblauwe ogen keken me hulpeloos verward aan, maar hielden mijn blik vast, dus ik waagde het te spreken, en mijn rug te rechten. ‘Ik ben Eddy Lemaître, gepensioneerd wetenschapper, en bied u nederig deze gift aan, om u te beschermen tegen ontberingen. Ik vraag u niks in ruil.’
De Man bleef even onbeweeglijk als de bakstenen muren waartussen we ons bevonden. Toen kwam hij krakend tot leven. Op hetzelfde ogenblik rommelde in de verte de donder. ‘Ik ben…’
Ineens kreeg ik het afschuwelijke gevoel dat hij opnieuw zou verdwijnen, zoals ik hem reeds zo vaak had zien doen. Instinctief greep ik hem bij de vieze onderarm. Het verlangen om hem zijn zin te horen afmaken, de eerste die hij ooit rechtstreeks tegen mij sprak in een taal die ik verstond, was simpelweg te groot.
Foute boel.
Het gebeurde allemaal tegelijkertijd: De Man gilde, mijn vingers leken een brandende tak te omsluiten, en iets zoog alle zuurstof uit mijn bloed. Enkele seconden of vele uren lang onderging mijn lichaam sensaties die bijna niet in woorden te gieten vallen. Ik zag de aarde vanuit de ruimte, ik zag een grasspriet boven me uittorenen. Ik was getuige van mijn eigen geboorte terwijl ik het gevoel kreeg hardhandig naar beneden geduwd te worden, ik kwam mijn eigen verrotte lijk tegen en iets wat voelde als een vishaak in mijn navel trok me weer naar boven. Daarna, daarvoor of terzelfder tijd zag ik een nachtelijke hemel vol ontploffende sterren en een stenen landschap waar zover het oog reikte golven lava gloeiend stuksloegen op kale rotsen.
Ik zag… nee, hier laat ik het bij. Het is niet belangrijk. Alleen het eindpunt, dat moet nog.
Op een gegeven moment, ik weet niet wanneer, voelde ik terug vaste grond onder mijn voeten. Of tenminste, in zoverre zand vaste grond is. Niet alleen mijn hand, maar mijn hele lijf leek nu in een oven vast te zitten. Helse geluiden beukten zich mijn oren binnen: geklop, gebeitel, geroep. Het laatste wat ik zag voor ik losliet, waren de treurige ogen van de Man, terwijl achter hem honderden mensen in lendendoeken bezig waren een piramide te bouwen onder de brandende woestijnzon.
Geloof me alsjeblieft.
Mijn buurvrouw vond me, helemaal alleen naast de vuilnisbakken, hysterisch krijsend alsof ik vermoord werd met duizend messen.
Schets #4: conclusie
Wie is de Gloeiende Man? Tot mijn spijt weet ik dat nog steeds niet zeker. Iedere stap vooruit bleek er al snel een in de omgekeerde richting te zijn. Was ik nog tien jaar doorgegaan met speuren, dan had ik ongetwijfeld nog tien onverklaarbare eigenaardigheden van De Man ontdekt. Kreeg ik twintig jaar de tijd, dan zou dat aantal ook verdubbelen.
Neem het van iemand aan wiens hele leven in dienst van de wetenschap stond: we zijn nog lang niet klaar met verklaren. Recht voor onze neus speelt zich nog steeds van alles af waar zelfs het slimste verstand niets van begrijpt. Mijn ervaringen van de afgelopen jaren bewijzen dit.
Dit is mijn theorie: De Man bestaat uit een conglomeraat biologische, metafysische en chemische imbalansen die hem mentaal vernietigen of vernietigd hebben, maar al het andere mogelijk maken. Hij leeft op instincten en impulsen die alleen voor hemzelf logisch zijn, en heeft de hele geschiedenis van de mensheid en waarschijnlijk de aarde gezien, zonder in staat te zijn daar iets van betekenis of voordeel uit te halen. Is het niet om razend van te worden? Geef jou of mij de mogelijkheden die hij tot zijn beschikking heeft, en we kunnen de samenleving op elk vlak oneindig van dienst zijn. Al is het waarschijnlijker dat wij net zo gek zouden worden.
Misschien hebben we daarom al zo lang het gevoel dat er geen god meer is. De goden hebben ze niet meer alle vijf en dwalen verloren door de tijd. Voor zichzelf zorgen kunnen ze niet meer, laat staan voor de gehele mensheid.
Of is De Man een sterveling zoals jij en ik, geboren met een reeks zeldzame afwijkingen die hem tot deze toestand brachten, ver voorbij de grenzen van het bekende? De Man werd in dat geval god, in plaats van andersom. Of is hij als één van de Onsterfelijken uit de verhalen van Borges, gebroken door de millennia, steeds wanhopiger op zoek naar een manier om te sterven? Vragen, vragen. Zonder antwoorden. Van mij zullen ze niet meer komen. Mijn rol lijkt uitgespeeld.
Mijn kinderen besloten dat de maat vol was. Ik ben niet meer in staat om alleen te wonen, zeggen ze. Ik moet hier weg, zeggen ze. Waarnaartoe, dat wordt nu in zeven haasten beslist, zonder dat ook maar iemand naar mij luistert. Het voelt niet goed. Maar wat kan ik doen? Alles braaf over mij laten vloeien en vragen om één laatste gunst als tegenprestatie: dat men mijn onderzoek serieus behandelt, en niet als de laatste stuiptrekking van een oude fantast.
Dat dit document, inclusief de foto’s van de schatten in het hutje en de opname op mijn computer waarop De Man Soemerisch praat, in de openbaarheid wordt gebracht van zodra het met mij gedaan is.
Want waar de één faalt, kan de andere slagen, en misschien bieden mijn mislukkingen een ander de weg naar succes. Blijken het toch kostbare puzzelstukjes te zijn, alleen dan niet in mijn eigen puzzel.
Ergens, iemand. Dat is alles waar ik op hoop.
Bedankt voor het lezen.
Eddy Lemaître
---
Verbazingwekkend verhaal, niet? Ik had geen idee dat vader literaire ambities koesterde, en dat nog zo laat in zijn leven. Natuurlijk, vroeger troffen we hem tijdens zijn spaarzame vrije momenten wel eens met een dik boek in de zetel aan, maar hoe ouder hij werd, hoe liever hij simpelweg tv keek.
Een dakloze uit de buurt die mogelijks een god is, wat een fantasie! Ik kan het denk ik wel verklaren. Vaders creativiteit is jarenlang in zijn werk opgegaan: nieuwe probleemstellingen, nieuwe theorieën, proeven en formules… op zijn oude dag moest hij die behoefte kennelijk op een andere manier invullen.
Wel vind ik het heel gek hoe vader zichzelf hier zo nadrukkelijk als hoofdpersonage opvoert. Zo zijn we met ons gezin bijvoorbeeld echt in Canada geweest, en is zijn beschrijving van het oude huis en het steegje aan de overkant van de straat bijzonder accuraat te noemen. Zelfs de episodes rond zijn longontsteking en epilepsieaanval zitten in het verhaal verwerkt, alsof dit hele project een poging was om in het reine te komen met zijn eigen falende gezondheid.
Is die ‘Gloeiende Man’ niet gewoon vader zelf? Een ooit geniaal geleerde, in staat van mentale claustrofobie gebracht door zijn eigen fysieke aftakeling? Maakt hij zich doorheen het verhaal daarom zo druk over zijn reputatie, omdat hij op het laatste feit en fictie niet meer voldoende van elkaar kon onderscheiden? Heeft hij het daarom ook over niet-bestaand bewijsmateriaal, de foto’s en geluidsopname?
Althans, er waren foto’s aan het document geniet, maar die lijken mij duidelijk geplukt van een of andere avant-garde-kunstwebsite, met ‘ongebruikelijke voorwerpen in ongebruikelijke plekken’ als thema. Wat betreft een geluidsbestand dat op zijn computer zou staan, dat oude ding hadden we eerder al bij het grofvuil gezet, in een van de afvalbakken in het steegje tegenover zijn deur.
Dat moet ik hem ook nog nageven: het stinkt daar inderdaad ontzettend. Ik snap waarom hij aan de zeeleeuwen moest denken.
Verder lijken op deze pagina’s vooral zaken verwerkt die ver van de werkelijkheid afstaan. U zult bijvoorbeeld tijdens het lezen uw wenkbrauwen wel gefronst hebben bij de passages waarin vader vermeldt dat hij me amper te zien kreeg. Laat me hier duidelijk stellen dat net het tegendeel waar is: ik ging hem in die tijd juist heel vaak opzoeken. Zou ik u onder de arm genomen hebben als mijn vader en ik in werkelijkheid van elkaar vervreemd waren geraakt? Ik hoop dat u mij niet tot zo’n laagheid in staat acht, beste mevrouw Moens. Ik heb net zo goed een reputatie te verdedigen.
Maar al bij al is het absoluut een goed verhaal geworden. Ik twijfel zelfs of we het misschien nog kunnen toevoegen als annex bij de biografie, natuurlijk met de nodige context, om ook vaders sluimerende literaire talenten in de verf te zetten en zo te tonen dat hij zo dichtbij het einde nog even hongerig als altijd nieuwe uitdagingen aannam. Al besef ik natuurlijk dat ik ondertussen al meerdere deadlines overschreden heb en u vast ongeduldig bent naar het finale manuscript. De beslissing leg ik daarom graag bij u: toevoegen of niet?
Met vriendelijke groeten,
Geo Lemaître
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.